ECLI:NL:RBOBR:2018:945
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarden woning erfgenaam en mede-belanghebbende voor kalenderjaren 2012, 2015 en 2016
De zaak betreft een beroep van een erfgenaam tegen WOZ-beschikkingen voor een woning over de kalenderjaren 2012, 2015 en 2016. De erfgenaam betwist de vastgestelde waarden en stelt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op verlagingen van de WOZ-waarden. Daarnaast voert hij aan dat de waardering onvoldoende rekening houdt met waardedrukkende factoren en dat de vergelijkingsobjecten niet passend zijn.
De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid van de beroepen en oordeelt dat de beschikkingen terecht aan de erfgenaam zijn verstrekt op grond van artikel 26 en Pro 28 van de Wet WOZ. Vervolgens beoordeelt de rechtbank per kalenderjaar de waardepeildatum en de onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarden. Verweerder heeft de waarden onderbouwd met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten, waarbij rekening is gehouden met verschillen in bouwjaar, inhoud, staat van onderhoud en ligging.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat de waardedrukkende factoren door verweerder voldoende zijn meegenomen in de waardering. De door eiser gestelde lagere waarden zijn niet aannemelijk gemaakt, mede omdat geen taxatierapport is overgelegd en het eigen verkoopcijfer onvoldoende inzicht biedt. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de WOZ-waarden voor 2012, 2015 en 2016 worden ongegrond verklaard en de vastgestelde waarden bevestigd.