Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de minister van Defensie en thans de staatssecretaris van Defensie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
18. Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat nog steeds sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 22 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:526, r.o 4.7.4), is de rechtbank van oordeel dat met de door verweerder getroffen voorziening als bij bestreden besluit III niet langer sprake is van een excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraak. Ook deze beroepsgrond faalt.
20. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 27 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3607) vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit van het bestuursorgaan. In dit geval is geen bezwaar gemaakt maar rechtstreeks beroep ingesteld op 13 januari 2017, ontvangen door de rechtbank op 16 januari 2017.
Beslissing