Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Boxmeer, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Naar het oordeel van de rechtbank is het gebruik dat thans van de onroerende zaak wordt gemaakt niet bepalend voor de waarde als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ. Als er ook een ander gebruik van de onroerende zaak is toegestaan en een koper bereid is daarvoor een hogere prijs te betalen dan iemand die de onroerende zaak koopt om haar voor de akkerbouw in gebruik te nemen, is de hogere prijs die de eerstgenoemde wil betalen, het uitgangspunt bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat akkerbouw de enig mogelijke vorm van gebruik van de onroerende zaak is. Reeds om die reden faalt het standpunt van eiser dat de waarde van de onroerende zaak in neerwaartse zin moet worden gecorrigeerd vanwege het gebruik dat op dit moment van die zaak wordt gemaakt. Daarbij komt nog dat eiser geen marktgegevens of andere toetsbare gegevens ter onderbouwing van de door hem verdedigde neerwaartse correctie heeft overgelegd.