ECLI:NL:RBOBR:2019:6191
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vaststelling OZB-gebruikersheffing voor agrarisch object
Eiser, eigenaar en gebruiker van een agrarisch object bestaande uit een varkenshouderij en landbouwbedrijf, betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde en de daarop gebaseerde OZB-gebruikersheffing voor het belastingjaar 2017. Na een eerdere hertaxatie waarbij de waarde werd verlaagd, stelde eiser subsidiair dat de grondslag voor de OZB-gebruiker lager moest worden vastgesteld dan door verweerder.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde niet langer in geschil was, omdat eiser zijn primaire standpunt had ingetrokken. Het subsidiaire standpunt van eiser, gebaseerd op een afwijkende berekening van de grondslag voor de OZB-gebruiker, werd verworpen. De rechtbank volgde verweerder in de uitleg dat de waardering van het woon- en bedrijfsdeel proportioneel moet worden toegepast volgens de geldende wettelijke bepalingen en taxatierapporten.
De rechtbank concludeerde dat de door verweerder gehanteerde waarderingsmethodiek en de vastgestelde grondslag voor de OZB-gebruikersheffing juist zijn en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de OZB-gebruikersheffing wordt ongegrond verklaard.