ECLI:NL:RBOBR:2020:4126
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €349.000
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2018, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €349.000. Eiser baseert zijn betoog op een overeenkomst uit 2002, waarin een veel lagere waarde van €90.756 is vastgelegd voor de jaren 2001 tot en met 2004, en stelt dat deze waarde ook voor latere jaren moet gelden. De rechtbank volgt dit standpunt niet, mede omdat eerdere procedures hierover steeds zijn verworpen.
De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een waardematrix en vergelijkingsobjecten, waarbij rekening is gehouden met verschillen in inhoud, perceelgrootte en ligging. Eiser heeft zijn stelling onvoldoende onderbouwd en de rechtbank concludeert dat de vastgestelde waarde niet te hoog is.
De rechtbank overweegt ambtshalve dat eiser kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht door herhaaldelijk hetzelfde betoog te voeren zonder nieuwe onderbouwing. Omdat verweerder geen proceskostenvergoeding heeft gevraagd en eiser niet eerder op deze consequentie is gewezen, volstaat de rechtbank met een waarschuwing. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €349.000 wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt een waarschuwing voor kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht.