Eisers betwistten de vastgestelde WOZ-waarde van hun woning per 1 januari 2018, vastgesteld op €580.000 door verweerder op basis van de eigen aankoopprijs van €590.000 op 1 maart 2018. Eisers stelden dat de waardestijging ten opzichte van 2018 onjuist hoog was en verwezen naar lagere waarderingen van vergelijkbare woningen in de straat.
De rechtbank oordeelde eerst dat eiseres niet ontvankelijk was in haar beroep omdat zij niet de belanghebbende is aan wie de aanslag is opgelegd, waardoor haar bezwaar niet behandeld had mogen worden. Dit besluit werd vernietigd en het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van het beroep van eiser werd overwogen dat het eigen transactiecijfer binnen één jaar voor de waardepeildatum een betrouwbare indicatie is van de marktwaarde. Eisers stelden onvoldoende feiten om aan te tonen dat deze waarde niet representatief was. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel faalde omdat de vergelijkingsobjecten niet identiek waren en onvoldoende onderbouwd werd dat verschillen verwaarloosbaar waren.
De rechtbank concludeerde dat verweerder aan zijn bewijslast had voldaan en de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en verweerder werd opgedragen het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden.