ECLI:NL:RBOBR:2021:2226
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen discriminatie
Eiseres, werkzaam als shopmedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan na langdurige ziekte. Het UWV stelde dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op de uitkering. Eiseres betwistte dit, stelde dat de medische deskundigen van het UWV niet onpartijdig zijn en voerde aan dat haar lage maatmaninkomen haar benadeelt ten opzichte van anderen met een hoger inkomen.
De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek als zorgvuldig en vond geen aanleiding voor benoeming van onafhankelijke deskundigen. De beperkingen van eiseres werden adequaat in kaart gebracht en de geselecteerde voorbeeldfuncties waren passend volgens het CBBS. De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de functies niet kon verrichten.
Ten aanzien van het discriminatieverweer oordeelde de rechtbank dat de WIA-uitkering een loondervingsuitkering is, waarbij het inkomensverlies bepalend is. Personen met een hoger maatmaninkomen lopen bij gelijke restverdiencapaciteit meer inkomensverlies, waardoor geen sprake is van gelijke situaties en dus geen discriminatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 11 oktober 2019. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.