De burgemeester van Eindhoven besloot op 28 januari 2021 de woning van verzoekers te sluiten voor vier maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, vanwege de aanwezigheid van softdrugs en een groter drugshandelnetwerk. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening, welke werd behandeld op 31 maart 2021.
De voorzieningenrechter oordeelde dat sprake was van onverwijlde spoed en dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting. Hoewel verzoekers stelden dat de hoeveelheid softdrugs voor eigen gebruik was en dat een waarschuwing volstond, volgde de rechter dit niet. Uit de bestuurlijke rapportage bleek 48 gram softdrugs aanwezig, wat de grens voor eigen gebruik overschrijdt. Daarnaast maakte de woning deel uit van een groter netwerk met betrokkenheid van ouders en een garagebox.
De rechter vond de sluiting noodzakelijk en proportioneel, mede vanwege de ernst van de situatie en de signaalfunctie naar de omgeving. Verzoekers konden onvoldoende aantonen dat zij geen vervangende woonruimte konden vinden. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, en er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.