ECLI:NL:RVS:2018:1125
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens handelshoeveelheid harddrugs in veiligheidsrisicogebied
De burgemeester van Rotterdam heeft op 16 juni 2016 besloten een woning te sluiten voor zes maanden nadat bij een politiebezoek op 15 maart 2016 een grote hoeveelheid cocaïne (2082,20 g) en versnijdingsmiddelen (5076,20 g) werden aangetroffen, samen met attributen voor drugshandel. De burgemeester verklaarde het bezwaar van de bewoner ongegrond en de rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit op 25 juli 2017.
De bewoner stelde in hoger beroep dat er geen drugshandel vanuit de woning plaatsvond, dat de drugs niet van hem waren en dat de sluiting disproportioneel was gezien zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het belang van een eigen woning voor omgang met zijn kinderen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de burgemeester bevoegd was op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, omdat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne de grens voor eigen gebruik ruim overschrijdt en de bewoner het tegendeel niet aannemelijk had gemaakt.
De Afdeling vond dat de burgemeester terecht ook de aanwezigheid van versnijdingsmiddelen en attributen voor de vervaardiging en verpakking van drugs had meegewogen, evenals het feit dat de woning in een veiligheidsrisicogebied ligt. De belangenafweging was zorgvuldig en de sluiting proportioneel, mede omdat vervangende woonruimte beschikbaar was en de omgang met de kinderen elders kon plaatsvinden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De sluiting van de woning voor zes maanden wordt bevestigd wegens de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs en relevante omstandigheden.