ECLI:NL:RBOBR:2021:399
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens niet-naleving mestverwerkingsplicht volgens Meststoffenwet
Eiseres, een melkveehouderij, kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet correct naleven van de mestverwerkingsplicht uit de Meststoffenwet (Msw). Zij had een vervangende verwerkingsovereenkomst (VVO) gesloten voor 1.310 kg fosfaat, maar had slechts 539 kg fosfaat verwerkt via een driepartijenovereenkomst mestverwerking (DPO). Hierdoor werd 771 kg fosfaat niet conform de wettelijke eisen verwerkt.
De rechtbank oordeelde dat een VVO niet voldoet aan de verwerkingsverplichting zoals bedoeld in artikel 33a, vijfde lid, Msw, omdat deze niet garandeert dat de mest daadwerkelijk wordt verwerkt. Alleen een vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM) met opmerkingencode 61 en/of een DPO voldoen daaraan. Eiseres had niet nagegaan of de met de VVO overgedragen mest daadwerkelijk was verwerkt.
Eiseres stelde dat het slechts een administratieve vergissing betrof en dat zij ruimschoots voldoende fosfaat had verwerkt. Dit werd verworpen omdat schuld geen bestanddeel is van het wetsartikel en van haar mag worden verlangd dat zij zich verdiept in de complexe regelgeving. Ook was er geen grond voor matiging of toepassing van een lichter boeteregime.
De rechtbank vond de boete niet onevenredig hoog, mede omdat de boete een punitief karakter heeft en hoger moet zijn dan het eventueel genoten economisch voordeel. Eiseres had niet aangetoond dat zij geen economisch voordeel had. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete van €8.481 wegens overtreding van de mestverwerkingsplicht wordt ongegrond verklaard.