Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2021 in de zaken tussen
[Verzoeker 1] , verzoekster 1,
de burgemeester van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, de burgemeester
Procesverloop
Overwegingen
“in bepaalde gevallen – met name indien niet langer wordt voldaan aan de eisen, welke voor vergunningverlening gelden – dient aan het bestaan van een verleende vergunning een einde te worden gemaakt.”(Kamerstukken II, 1961-1962, 6811, nr. 3). Hieruit blijkt dat de intrekking van de vergunning als niet langer wordt voldaan aan de eis dat de exploitant niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn, door de wetgever expliciet is beoogd. De burgemeester heeft er daarnaast terecht op gewezen dat uit de wetsgeschiedenis uit 1880 blijkt dat de wetgever aandacht heeft gehad voor de afweging van het individuele en het algemeen belang (Kamerstukken II, 1879-1880, 168, nr 3). De gevolgen van het verlies van een vergunning zijn door de wetgever aldus verdisconteerd. Maar ook als wordt overgegaan tot een beginselconforme uitleg van de DHW of als de evenredigheid wordt getoetst op grond van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zoals hiervoor is geconcludeerd, heeft de burgemeester in redelijkheid kunnen vinden dat de exploitant niet langer voldoet aan het vereiste dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Er is uitgebreid ingegaan op de veelheid aan incidenten die bij de vier horecabedrijven hebben plaatsgevonden en de hennepkwekerij in de woning van de exploitant. Er is sprake van een ernstige situatie. Daar komt bij dat de exploitant door de jaren heen herhaaldelijk is gewaarschuwd voor gevolgen voor zijn vergunningen bij overtredingen. Dat de intrekking ingrijpende gevolgen heeft voor zijn personeel en op financieel gebied, is aannemelijk, maar onder de gegeven omstandigheden niet onevenredig.
Beslissing
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af voor zover het gaat om de intrekking van de vergunningen.
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe voor zover het gaat om de vijfjaarstermijn;
- wijzigt de bij uitspraak van 4 juni 2021 getroffen voorzieningen in die zin dat de bestreden besluiten weer gaan gelden voor zover het gaat om de intrekking van de vergunningen en dat de bestreden besluiten worden geschorst tot zes weken nadat op de bezwaren is beslist, voor zover het gaat om de vijfjaarstermijn;
- draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 1.440,– (4 x € 360,–) aan verzoeksters te vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van € 2.244,–, te betalen aan verzoekers.