ECLI:NL:RBOBR:2021:5703

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 oktober 2021
Publicatiedatum
2 november 2021
Zaaknummer
WR 21/030
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 267 SrArt. 6 lid 3 EVRMArt. 512 SvArt. 515 lid 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens misbruik van wrakingsinstrument in strafzaak

Verzoeker, verdachte in een strafzaak wegens belediging van een ambtenaar, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die zijn zaak behandelt. Dit verzoek volgde op eerdere afwijzingen van getuigenverzoeken en het niet reageren van de rechter op een verzoek tot verschoning.

De rechtbank overweegt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat wraking alleen kan worden toegewezen bij uitzonderlijke omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Beslissingen over getuigenverzoeken kunnen niet als grond voor wraking dienen, tenzij sprake is van blijk van vooringenomenheid, wat hier niet het geval is.

De rechtbank concludeert dat verzoeker het wrakingsinstrument heeft misbruikt om onvrede over rechterlijke beslissingen te uiten. Het wrakingsverzoek wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en een volgend wrakingsverzoek in deze zaak zal niet in behandeling worden genomen.

Uitkomst: Wrakingsverzoek wordt kennelijk ongegrond verklaard en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen wegens misbruik.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 21/030
Beslissing van 20 oktober 2021
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker], wonende in [woonplaats]
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. P.J. Appelhof,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer [nummer] . In die zaak wordt verzoeker verdacht van belediging van een ambtenaar in functie (artikel 267 Wetboek Pro van Strafrecht), namelijk de burgemeester van Eindhoven.
Bij e-mail van 13 oktober 2021 heeft verzoeker de rechter, die de strafzaak behandelt, gewraakt.

2.De feiten

2.1
De rechter heeft eerder strafzaken van verzoeker behandeld. Het gaat om de zaken met parketnummers [nummer] , [nummer] en [nummer] . Tijdens de behandeling van die zaken op de zitting van 17 februari 2020 heeft verzoeker de rechter verzocht om getuigen te horen. De rechter heeft dit verzoek afgewezen. Daarop heeft verzoeker de rechter gewraakt. Dit wrakingsverzoek is op 28 april 2020 afgewezen (WR 20/005).
2.2
Bij brief van 22 juli 2021 heeft het Openbaar Ministerie (OM) verzoeker opgeroepen om te verschijnen op de zitting van de rechter van 18 oktober 2021 voor de behandeling van de strafzaak [nummer] . Bij e-mail van 7 oktober 2021 14:30 uur heeft mr. B. van Riel, verzoekers raadsman in de strafzaak, namens verzoeker het OM verzocht om nadere getuigen te horen, waaronder de burgemeester van Eindhoven. Bij e-mail van 8 oktober 2021 om 14:12 uur heeft verzoeker persoonlijk het OM met klem verzocht te reageren op zijn verzoek om nadere getuigen te horen. Bij e-mail van 8 oktober 2021 om 14:48 uur, heeft de griffie van de rechtbank namens de rechter verzoeker laten weten dat het verzoek om getuigen te horen zal worden behandeld op de zitting van 18 oktober 2021 en dat daarom geen getuigen worden opgeroepen voor die zitting.
3. Het wrakingsverzoek
3.1
Verzoeker heeft in zijn e-mail van 13 oktober 2021 aan de wrakingskamer het volgende aangegeven:
“Bijgaand stuur ik u een afschrift van het bericht dat de heer mr. Van Riel me op 7 oktober jongstleden toezond ter bevestiging dat hij tijdig mijn wens kenbaar heeft gemaakt om, op grond van artikel 6 lid 3 EVRM Pro, getuigen à charge op te roepen of te dagvaarden voor de zitting van 18 oktober aanstaande in de zaak met parketnummer [nummer] . De griffier van de rechtbank berichtte me op 8 oktober jongstleden dat de betreffende politierechter mijn verzoek ter zitting zou behandelen. Dit is een gotspe! Op grond van ervaringen uit het verleden (…) verzocht ik mr. P.J. Appelhof zich te verschonen. Bij gebreke van een reactie dien ik bij deze opnieuw een wrakingsverzoek in.”
Mede gelet op de hiervoor onder punt 2 vermelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verzoeker de rechter wraakt:
uit onvrede over de beslissing van de rechter van 8 oktober 2021;
vanwege de afwijzing van het verzoek om getuigen te horen door de rechter in de drie eerdere strafzaken;
uit onvrede over het niet reageren op het verzoek aan de rechter om zich te verschonen.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
4.2
Zoals ook is overwogen in de beslissing in de wrakingszaak met nummer WR 20/005, brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken mee dat de inhoud van rechterlijke (tussen)beslissingen, zoals beslissingen over getuigenverzoeken, als zodanig nimmer grond kunnen vormen voor wraking. De wrakingkamer komt daarom geen oordeel toe over de juistheid van de beslissing van de rechter van 8 oktober 2021 naar aanleiding van het getuigenverzoek. Dit oordeel is voorbehouden aan de appelrechter. De wrakingskamer komt, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, evenmin een oordeel toe over de motivering van rechterlijke (tussen)beslissingen, zoals beslissingen over getuigenverzoeken. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI: NL:HR:2018:1413). Aan die strenge maatstaf is in het onderhavige geval niet voldaan. Andere feiten die deze conclusie wel zouden rechtvaardigen, heeft verzoeker niet aangevoerd.
4.3
De omstandigheid dat de rechter in de drie eerdere strafzaken een beslissing heeft genomen over het getuigenverzoek waarmee verzoeker het niet eens is, is niet een omstandigheid die erop wijst dat de rechterlijke onpartijdigheid van de rechter in deze zaak schade zou kunnen lijden (HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8280).
4.4
De enkele omstandigheid dat de rechter niet heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker om zich te verschonen, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.5
Omdat wrakingsgronden bij een wrakingsverzoek alle tegelijk moeten worden voorgedragen kunnen deze niet later ter zitting van de wrakingskamer of in een schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek worden aangevuld. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek bij de wrakingskamer kan daar niets aan veranderen. Bij deze stand van zaken kan een behandeling ter zitting achterwege blijven.
4.6
Aan het onderhavige wrakingsverzoek heeft verzoeker de beslissing van de rechter over het getuigenverzoek in de strafzaak [nummer] , maar ook zijn beslissing in de drie eerdere strafzaken ( [nummer] , [nummer] en [nummer] ) ten grondslag gelegd. In de beslissing in de wrakingszaak WR 20/005 is reeds overwogen dat een afwijzende beslissing naar aanleiding van een getuigenverzoek als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Dit heeft verzoeker er echter niet van weerhouden om het onderhavige wrakingsverzoek in te dienen, ook weer naar aanleiding van de beslissing van de rechter op zijn getuigenverzoek. Omdat het wrakingsverzoek slechts drie werkdagen voor de geplande zitting van 18 oktober 2021 is ingediend, moest de zitting worden uitgesteld. Gelet op deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat verzoeker het middel van wraking uitsluitend heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. Daarmee is sprake van misbruik van het wrakingsinstrument. De rechtbank bepaalt om die reden dat een volgend verzoek tot wraking in strafzaak [nummer] niet in behandeling wordt genomen. Onder verwijzing naar artikel 5, tweede lid, aanhef en onder g, juncto artikel 5, derde lid (eerste volzin), van het wrakingsprotocol overweegt de rechtbank dat de rechter kan beslissen een volgend wrakingsverzoek niet voor te leggen aan de wrakingskamer.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond;
  • bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven op 20 oktober 2021 door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter,
mr. J.J. Janssen en mr. F. Kooijman, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat
geenrechtsmiddel open (artikel 515 lid 5 Sv Pro).