ECLI:NL:RBOBR:2022:2893
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en onderbouwing vergelijkingsobjecten
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2019, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €405.000. Hij stelt dat de waarde te hoog is en dat de onderbouwing onvoldoende is, onder meer vanwege onzorgvuldigheden in de bezwaarprocedure en het gebruik van ongeschikte vergelijkingsobjecten.
De rechtbank overweegt dat eventuele onzorgvuldigheden in de bezwaarprocedure niet automatisch leiden tot vernietiging van de waardebepaling, aangezien in de beroepsfase de waardering nader kan worden onderbouwd. De heffingsambtenaar heeft dit gedaan door middel van een taxatierapport en een waardematrix met zeven vergelijkingsobjecten, waarbij verschillen in bouwjaar, inhoud en bijgebouwen zijn gecorrigeerd.
De rechtbank oordeelt dat de gebruikte vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar terecht rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van een inpandige garage en de ligging van de woning. Ook de KOUDV-factoren zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Eiser heeft zijn eigen waarde van €325.000 niet aannemelijk gemaakt met toetsbare gegevens.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt zij de vastgestelde WOZ-waarde van €405.000. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €405.000 wordt ongegrond verklaard.