Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.1.- EazzyPark B.V. (SHE 22/461 en SHE 22/469),-Flexoffice B.V. (SHE 22/463 en SHE 22/471),- Parkvalet B.V. (SHE 22/465 en SHE 22/473), en- GVMT Holding B.V.(SHE 22/467 en SHE 22/475),
2.- Eindhoven Airport N.V., te Eindhoven, eiseres 2 (SHE 22/649),
Lock & Fly OG B.V., te Waalre,
(gemachtigde: mr. M.J.G. Pennings).
acht weken na de uitspraak in de bodemprocedure.
acht weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank.
acht weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
De rechtbank beoordeelt de aan eisers opgelegde lasten onder dwangsom. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. Daarbij merkt zij op in de regel gemakshalve te zullen spreken over eisers 1, ofschoon de rechtbank zich realiseert dat het noemen van een of meer eisers soms meer op zijn plaats zou zijn geweest.
€ 10.000,00 wordt verbeurd door elke overtreder. De rechtbank zal ten aanzien hiervan zelf in de zaak voorzien.
Het beroep van eiseres 2 is ongegrond.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Na de constatering van een toezichthouder van de gemeente Eindhoven op verschillende data in augustus 2022 dat vanuit het pand en op het omliggend terrein aan bezoekers van de luchthaven de mogelijkheid wordt geboden om (lang) te parkeren, heeft het college bij de primaire besluiten aan eisers 1 en 2 lasten onder dwangsom opgelegd. Hieraan is door het college ten grondslag gelegd dat het bedrijfsmatig (laten) aanbieden van parkeerfaciliteiten vanuit het pand en het omliggende terrein om (lang) te parkeren strijdig is met de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bestemmingsplanomschrijving. Dit geldt voor zowel het commercieel aanbieden van parkeerplaatsen via valetservice, als voor het commercieel aanbieden van parkeerplaatsen vanuit het pand en op het omliggende terrein. Het college stelt dat legalisatie van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik niet mogelijk en niet wenselijk is.
- vanuit het pand en omliggend terrein aan de Luchthavenweg 61 geen mogelijkheid meer wordt geboden om (lang) te parkeren (ook niet door middel van valetservice); het commercieel parkeren en commercieel aanbieden van parkeerplaatsen dient derhalve te worden gestaakt en gestaakt te worden gehouden;
- alle reclame-uitingen om ter plaatse te komen parkeren zijn verwijderd; (5x blauwe P op het gebouw, bord aan de gevel met Valetparking check inn is verwijderd; 2x bord vanaf 10 euro p. dag; reclamebord tegen de boom met EazzyPark erop);
- het bord op het bijbehorende parkeerterrein dat er parkeerplaatsen vrij zijn, is verwijderd.
- parkeerbordjes bij de parkeerplaatsen met “EazzyPark” zijn verwijderd;
- de website https://eazzypark.nl en https://www.parkvalet.nl zijn verwijderd c.q. zodanig aangepast dat het niet meer mogelijk is om bij of in de omgeving van Eindhoven Airport een parkeerplaats te reserveren.
In de bestreden besluiten is aangegeven dat het college valetparking, wat plaatsvindt op het terrein aan de Luchthavenweg 61, blijft zien als een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo), maar dat het parkeren door werknemers en bezoekers van een kantoor, waaronder het kantoor van een parkeerbedrijf, ter plaatse is toegestaan. Ook het vanuit het kantoor organiseren van shuttlevervoer, waarbij klanten hun auto elders parkeren en van en naar de luchthaven worden gebracht, is volgens het college niet in strijd met de aan het betrokken perceel gegeven bestemming. Dit gebruik maakt derhalve geen onderdeel uit van de aan de overtreders opgelegde lasten, aldus het college.
Het beroep van eisers 1
7. Het college stelt in de bestreden besluiten dat in relevante andere procedures meermaals is geconcludeerd dat EazzyPark B.V. een parkeerbedrijf is als bedoeld in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Eindhoven Airport” (het bestemmingsplan) en dat dit in strijd is met de enkelbestemming “Bedrijf – 2” die op het perceel Luchthavenweg 61 rust. Op dit perceel worden de voertuigen ingenomen van bezoekers van de luchthaven om elders langdurig te worden geparkeerd en op deze locatie worden de voertuigen weer geretourneerd. Het strijdige gebruik kan volgens het college niet zo eng worden uitgelegd dat enkel het (laten) gebruiken en in gebruik geven van de gronden voor commercieel parkeren, dus alleen het daadwerkelijk ter plaatse tegen betaling parkeren, als strijdig wordt aangemerkt.
(SBI-2008).
De rechtbank is, in navolging van de voorzieningenrechter, van oordeel dat dit parkeren op het perceel, voordat de auto’s naar elders worden gereden om deze daar langdurig te parkeren, onder het ‘aanbieden van parkeerplaatsen op een onbebouwde voorziening’ valt als bedoeld in artikel 1.55 van de planregels. Aldus was ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten sprake van een parkeerbedrijf in de zin van het bestemmingsplan. Dat de parkeerplaatsen waar de auto’s langdurig worden geparkeerd zich elders bevinden, leidt niet tot een ander oordeel. Ook als de auto’s maar tijdelijk worden geparkeerd in afwachting van vervoer naar een plek elders, neemt dat niet weg dat hier nog steeds parkeerplaatsen worden aangeboden.
Het college heeft hierover gesteld dat het enkele feit dat eisers 1 hun bedrijfsvoering mogelijk zouden hebben aangepast voor het nemen van de bestreden besluiten onverlet laat dat er ten tijde van het opleggen van de lasten onder dwangsom door hen een parkeerbedrijf in strijd met het bestemmingsplan werd geëxploiteerd en de mogelijk gewijzigde bedrijfsvoering niet behoefde te leiden tot een herroeping van de primaire besluiten. Een last onder dwangsom strekt er immers toe om overtreders te bewegen zelf een einde te maken aan de illegale situatie binnen een bepaalde termijn.
Voor zover eisers stellen dat met de gewijzigde bedrijfsvoering geen sprake is van een valetservice maar van parkeren dat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, is de rechtbank van oordeel dat de gewijzigde bedrijfsvoering zoals door eisers 1 is omschreven evenmin een activiteit is die ter plaatse is toegestaan. Deze heeft namelijk geen enkele relatie als bedoeld in artikel 4.1, aanhef en onder q, van het bestemmingsplan met het gebruik van ter plaatse toegelaten zelfstandige kantoren en bedrijven genoemd in artikel 4.1 van dit plan. Degenen die de auto’s brengen en weer ophalen werken immers niet bij deze kantoren en bedrijven en gaan daar evenmin op bezoek. Zij gaan naar en komen van de luchthaven. In zoverre gaat ook de vergelijking met valetparking bij hotels mank, omdat de auto’s die daar worden afgegeven om te worden geparkeerd dan wel opgehaald toebehoren aan mensen die het hotel bezoeken. Het laten parkeren is daarbij, zoals het college in zijn verweerschrift terecht heeft aangegeven, ondergeschikt aan hun verblijf in het hotel, terwijl het bij het nieuwe bedrijfsconcept nog steeds gaat om het commercieel parkeren van voertuigen dat geen functionele relatie heeft met de activiteiten die in de bedrijfspanden op het perceel plaatsvinden. Het gewijzigde bedrijfsconcept is ook niet gelijk te stellen met shuttlevervoer, waarbij klanten hun auto elders parkeren en daarvandaan met een (pendel)busje van en naar de luchthaven worden gebracht. Het oordeel van de rechtbank dat ook het gewijzigde bedrijfsconcept in strijd is met het bestemmingsplan is dan ook niet in tegenspraak met de uitspraak van de voorzieningenrechter met betrekking tot het vanuit het kantoor organiseren van shuttlevervoer. Nu de gewijzigde bedrijfsvoering in strijd is met het bestemmingsplan, ook als in de opvatting van eisers 1 de auto’s alleen stilstaan, kan in het midden blijven of de gewijzigde bedrijfsvoering als het parkeren of als het stilstaan van auto’s moet worden aangemerkt.
Omdat het uitoefenen van een parkeerbedrijf ter plaatse niet is toegestaan, was het college bevoegd tot handhavend optreden. Het gestelde gewijzigde bedrijfsconcept maakt dit niet anders.
Dit betoog faalt.
een ambtenaar van de gemeente tijdens de ambtelijke openbare hoorzitting van
14 januari 2022 die betrekking had op de onderhavige procedure expliciet erkend. Voorts heeft te gelden dat de toezegging van de advocaat aan het bevoegd bestuursorgaan, zijnde het college, kan worden toegerekend. De belangen van derden, zoals het belang van derde-partij in haar hoedanigheid van indiener van het handhavingsverzoek, verzetten zich niet tegen het honoreren van het gewekte vertrouwen, omdat de bedrijfsexploitatie van eisers 1 niet vergelijkbaar is met die van derde-partij, zodat het gelijkheidsbeginsel niet in het geding komt.
De door eisers 1 genoemde passage uit de pleitnota die is voorgedragen tijdens de ambtelijke hoorzitting over de bezwaren van derde-partij tegen de aan haar opgelegde last onder dwangsom betreft volgens het college evenmin een toezegging aan eisers 1 dat het college nooit handhavend tegen hen zou optreden. Gemachtigden noch eisers 1 waren bij deze hoorzitting aanwezig. Bovendien heeft het college tijdens de hoorzitting en in de daarop gevolgde beslissing op bezwaar deze onterechte aanname rechtgezet.
Verder merkt het college op dat de betrokken advocaat tijdens de ambtelijke hoorzitting optrad namens het college als verweerder. In het geval dat het college bij de beslissing op bezwaar altijd dit standpunt zou moeten volgen, zou dit de bezwarenprocedure zinledig maken. Zo er al sprake mocht zijn van opgewekt vertrouwen dan wegen de belangen bij het behoud van het bedrijventerrein Eindhoven Airport en het continueren van het vaste beleid van het college dat het geen medewerking verleent aan parkeerbedrijven op het betrokken bedrijventerrein zwaarder dan de belangen van eisers 1 bij het voortzetten van hun parkeerbedrijf, aldus het college.
Het college betwist gemotiveerd dat het de door eisers 1 gestelde toezeggingen heeft gedaan.
Het betoog van eisers 1 dat zij op grond van het tijdsverloop alsmede de mondelinge en schriftelijke uitlatingen van het college er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat zij hun bedrijfsactiviteiten aan de Luchthavenweg 61 legaal uitoefenen, volgt de rechtbank niet. Het enkele tijdsverloop tussen de reactie van eisers 1 van 9 oktober 2013 op de brief van het college van 30 september 2013 en het tijdstip waarop het college handhavend is gaan optreden kan niet worden aangemerkt als omstandigheid op grond waarvan eisers 1 erop mochten vertrouwen dat het college in dit geval niet handhavend op zou treden. Bovendien is er een verzoek om handhaving ingediend, zodat het college gehouden is om een besluit te nemen.
Waar eisers 1 in dit kader hebben gewezen op de e-mail van 27 oktober 2015 overweegt de rechtbank dat uit die e-mail geen toezegging naar voren komt dat niet handhavend zal worden opgetreden. Uit de aanhef en de inhoud van de e-mail blijkt duidelijk dat de e-mail ziet op parkeren in combinatie met flex-offices en niet met parkeerbedrijven.
Uit de pleitnota van de gemachtigde van het college tijdens een openbare zitting in het najaar van 2020 in de Lock & Fly procedures kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin een concrete en ondubbelzinnige toezegging of uitlating worden opgemaakt op grond waarvan eisers 1 erop mochten vertrouwen dat het college niet handhavend op zou treden. Bij deze zaak waren eisers 1 namelijk niet betrokken als partij en evenmin waren zij destijds aanwezig tijdens de hoorzitting. In zoverre verschilt deze situatie ook van de situatie in de zaak waarover het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2020 gaat en waarnaar eisers 1 hebben verwezen [3] , reeds omdat de daar van belang zijnde toezegging was gedaan in aanwezigheid van de persoon die zich beriep op het vertrouwensbeginsel. Afgezien daarvan heeft het college deze passage, anders dan eisers 1 stellen, bij de beslissing op bezwaar in de zaak van Lock & Fly rechtgezet. Ook anderszins hebben eisers 1 niet aannemelijk gemaakt dat het college zou hebben toegezegd dat van handhavend optreden tegen de bedrijfsactiviteiten van eisers 1 op het perceel Luchthavenweg 61 zal worden afgezien. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Verder is het ook zonder de bordjes “EazzyPark” bij de parkeerplaatsen voor medewerkers en bezoekers van het kantoor van eisers 1 voldoende duidelijk waar zij kunnen parkeren. De reclameborden aan de gevel met Valetparking check inn en tegen de boom met EazzyPark erop moeten verwijderd worden, omdat het hier gaat om een reclameaanduiding die uitnodigt tot het huren van parkeerplaatsen. Dat eisers 1 onder protest een andere vorm van valetparking aanbieden, kan volgens het college niet tot een andere conclusie leiden.
Dit betoog slaagt niet.
Dit betoog slaagt niet.
Hoogte dwangsom
€ 480.000,00 op zeer korte termijn na de begunstigingstermijn, hetgeen effectief het einde van de ondernemingen op het perceel in de huidige opzet en omvang betekent.
€ 2.500,00 per overtreder met een maximum van € 30.000,00 per overtreder.
[…]
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
"1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
[…]
3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom."
€ 10.000,00 wordt verbeurd door elke eiser afzonderlijk, met een maximum van
€ 120.000,00. De insteek van de last is derhalve niet geweest dat als een eenmaal verbeurde dwangsom door een van de overtreders wordt betaald, hiermee bevrijdend is betaald voor de overige aangeschreven overtreders. Het college heeft terecht gesteld dat in algemene zin geldt dat in een last niet hoeft te worden vermeld dat de ene overtreder bevrijdend kan betalen voor de andere. De last resulteert bij constatering van twaalf overtredingen in dit geval echter in een verbeurte van een maximum dwangsom van in totaal € 480.000,00.De rechtbank acht de besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom in zoverre onevenredig en in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en met 5:32b, derde lid, van de Awb. Weliswaar is sprake van afzonderlijke overtreders, maar tussen eisers 1 zit een zeer grote onderlinge verwevenheid. GVMT Holding B.V. is bestuurder van GVMP Holding B.V. en deze laatste is enig aandeelhouder en bestuurder van FlexOffice B.V., Parkvalet B.V. en EazzyPark B.V. Het voordeel dat wordt verkregen door de illegale activiteiten ter plaatse wordt daarmee niet behaald door elke partij afzonderlijk.
Het betoog slaagt.
Eindhoven Airport N.V. op het gebied van parkeerdiensten in het luchthavengebied van de relevante markt te verdringen in een kennelijke poging een economische machtspositie respectievelijk een monopolie voor Eindhoven Airport N.V. te creëren. In dat kader wijzen eisers 1 erop dat de gemeente hierbij een financieel belang heeft, omdat de gemeente Eindhoven aandeelhouder is van Eindhoven Airport N.V.
Volgens eisers 1 volgt uit artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) gelezen in samenhang met artikel 102 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) dat overheden op geen enkele wijze maatregelen mogen nemen die de nuttige werking van het mededingingsrecht, daaronder begrepen de nuttige werking van
artikel 102 VWEU Pro, kunnen ondermijnen. De handelswijze van het college is hiermee in strijd, aldus eisers 1. Daarnaast is sprake van schending van de volgende Unierechtelijke beginselen: het evenredigheids-, het gelijkheids- en het transparantiebeginsel.
De strijd met het Unierecht maakt volgens eisers 1 dat verweerder op grond hiervan
artikel 1.55 van het bestemmingsplan buiten toepassing had moeten laten of onverbindend had moeten verklaren. Voorts is de schending van het Unierecht een bijzondere omstandigheid die verweerder ertoe had moeten nopen om van handhavend optreden af te zien.
Dat houdt in dit geval in dat alleen indien sprake is van evidente strijd met het Unierecht een planregel onverbindend wordt verklaard of buiten toepassing wordt gelaten. Een planregel is alleen evident in strijd met hoger recht als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet. Dit is bijvoorbeeld het geval als iedere motivering ontbreekt.
37. Het college heeft in dit kader gewezen op de toelichting bij het bestemmingsplan, waarin is gesteld dat in principe geparkeerd dient te worden op eigen terrein. Indien redelijkerwijs op eigen terrein niet aan de parkeereis kan worden voldaan, dan kan voor het bezoekersdeel onder voorwaarden een beroep gedaan worden op de openbare ruimte. Het bedrijfsmatig aanbieden van parkeerplaatsen in een bebouwde voorziening of op een onbebouwde voorziening, anders dan voor werknemers en bezoekers van het eigen bedrijf, is niet toegestaan. Parkeerbedrijven zijn expliciet als strijdig gebruik aangemerkt. Het betreft in ieder geval autoparkeerterreinen en/of parkeergarages met SBI-code 5221. Dit is in lijn met het parkeerbeleid, namelijk dat parkeren in beginsel op eigen terrein dient plaats te vinden.
Verder heeft het college in de bestreden besluiten gesteld dat een ander argument voor het niet toestaan van parkeerbedrijven op het bedrijventerrein was het belang bij het behoud van een belangrijk bedrijventerrein als visitekaartje voor Brainport. In dit kader was leegstand van de ter plaatse aanwezige panden niet wenselijk, wanneer de percelen alleen gebruikt zouden worden voor parkeren. Bovendien, zo is in de primaire besluiten en ter zitting gesteld, is een bedrijventerrein als dit niet ingericht op een grote toename van het aantal verkeersbewegingen, waaronder ook voetgangers wordt begrepen. Dit creëert volgens het college een verkeersonveilige situatie.
De stelling van eisers 1 dat de motivering van het college niet deugdelijk is en om diverse redenen wel sprake is van misbruik kan daaraan in het kader van exceptieve toetsing niet afdoen, omdat dit nader onderzoek door de rechtbank zou vergen. In het kader van de exceptieve toetsing van een planregel bij een besluit zoals het bestreden besluit, is de toetsing aan de planregel zeer terughoudend. Dat is onder meer ingegeven door het feit dat het bestemmingsplan, inclusief de daarbij behorende planregels, vatbaar is voor beroep bij de Afdeling. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het eisers 1 vrijstaat om een verzoek tot herziening van het bestemmingsplan bij de gemeenteraad in te dienen. Bij de beoordeling van een besluit van de raad naar aanleiding van een dergelijk verzoek zal het evidentiecriterium niet worden gehanteerd, omdat dan immers geen sprake is van exceptieve toetsing van een bestemmingsplan.
Voorts heeft het college, anders dan eisers 1 betogen, voldoende gemotiveerd dat handhavend optreden geschikt en noodzakelijk is in het licht van het algemeen belang dat het college behoort te dienen. Dat het bedrijfspand op het perceel in dit geval niet leeg staat maakt dit niet anders, reeds gezien de precedentwerking die van het toestaan van parkeerbedrijven op bedrijventerreinen zou kunnen uitgaan. Voor zover eisers 1 betogen dat, in geval het college al een belang zou hebben bij het voeren van een beleid op
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank in hetgeen eisers 1 hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet handhavend heeft kunnen optreden wegens strijd met het Unierecht.
Dit betoog faalt.
€ 120.000,00 door alle overtreders gezamenlijk.
Het beroep van eiseres 2
Luchthavenweg 61 ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in strijd met het bestemmingsplan werd gebruikt.
Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb moet onder overtreder worden verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan een last onder dwangsom uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder die het in zijn macht heeft de last uit te voeren, dat wil zeggen de overtreder die in staat is de last uit te voeren. [7] Verweerder heeft eiseres 2 als overtreder mogen aanmerken, nu zij de eigenaar is van het gebouw en de daarbij behorende gronden en deze in strijd met artikel 4.5.2 van de planregels voor een parkeerbedrijf laat gebruiken. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, moet onder "gebruiken van gronden" als bedoeld in deze bepaling ook worden verstaan het "laten gebruiken van gronden" (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 94). [8] Eiseres 2 is daarom overtreder van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en daarom is de last terecht aan haar gericht. In het feit dat eiseres 2 de verhuurder is en naar haar zeggen alles in het werk heeft gesteld om een einde te maken aan de illegale activiteiten van haar huurder, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te denken. Het college heeft terecht gesteld, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling [9] , dat een contractuele verhouding van verhuurder tot zijn huurder geen beletsel vormt om de last uit te voeren. Het ontbreken van de mogelijk voor de uitvoering van de last benodigde privaatrechtelijke toestemming komt in beginsel voor risico van de overtreder.
Dit betoog slaagt niet.
Dit betoog faalt.
Hoogte dwangsom
De rechtbank stelt vast dat eiseres 2 de door het college genoemde huurprijs niet heeft betwist. Dat de locatie goed kan worden verhuurd en er in zoverre geen (extra) financieel voordeel wordt behaald bij de verhuur aan de huidige huurder, zoals ter zitting door
eiseres 2 is gesteld, maakt niet dat de hoogte van de dwangsom niet proportioneel zou zijn.
Dit betoog slaagt niet.
De begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. [12]
Dit betoog faalt.
- verklaart het beroep van eisers 1 gegrond;
- vernietigt de aan eisers 1 gerichte besluiten van 28 januari 2022 voor zover er per constatering een dwangsom van € 10.000,00 met een maximum van
- herroept de aan eisers 1 gerichte besluiten van 1 september 2021 voor zover daarin is beslist dat er per constatering een dwangsom van € 10.000,00 met een maximum van € 120.000,00 wordt verbeurd door elke overtreder;
- bepaalt dat er per constatering één dwangsom van € 10.000,00 wordt verbeurd met een maximum van € 120.000,00 door alle overtreders genoemd onder
- verklaart het beroep van eiseres 2 ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,00 aan eisers 1, elk afzonderlijk, moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.900,00 aan proceskosten aan eisers 1.