ECLI:NL:RVS:2022:1244
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke handhaving tegen planologisch strijdige bewoning bedrijfsgebouw in Aalsmeer
Het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer legde aan de eigenaar van een perceel met bedrijfsbestemming een last onder dwangsom op om de bewoning van het gebouw te beëindigen, omdat deze strijdig was met het bestemmingsplan "Hornmeer". De eigenaar exploiteert een autoverhuurbedrijf op het perceel en verhuurde vier slaapkamers aan acht personen. De rechtbank verklaarde het beroep van de eigenaar gegrond en vernietigde het dwangsombesluit en het invorderingsbesluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de bewoning door acht personen in strijd is met het bestemmingsplan en dat de eigenaar als overtreder terecht is aangesproken, omdat zij het in haar macht heeft de overtreding te beëindigen. De Afdeling wijst het beroep van de eigenaar af en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens verklaart zij het beroep van de eigenaar tegen het dwangsombesluit en invorderingsbesluit ongegrond.
De Afdeling overweegt dat de bouwvergunning uit 1979 slechts een dienstwoning toestond, waarvan het gebruik strikt was beperkt tot noodzakelijke huisvesting in verband met het bedrijfsgebruik. Het gebruik van het gebouw voor reguliere bewoning of onzelfstandige kamerverhuur is niet vergund en valt niet onder het overgangsrecht. De last is voldoende concreet en gericht aan de eigenaar, die als verhuurder verantwoordelijk is voor het beëindigen van de overtreding.
Het college heeft bij de hoogte van de dwangsom aansluiting gezocht bij het VTH-beleidsplan 2016-2019, dat een dwangsom van € 30.000 voorschrijft voor bewoning van bedrijfsgebouwen in strijd met het bestemmingsplan. De Afdeling volgt het college in haar standpunt dat dit beleid consistent is toegepast en dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat sprake was van strijdigheid in de handhaving.
Het besluit van 23 februari 2021, genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, wordt vernietigd omdat de grondslag daarvoor is komen te vervallen. De Afdeling bepaalt dat het college geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de eigenaar wordt ongegrond verklaard en het dwangsombesluit en invorderingsbesluit worden gehandhaafd.