Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2022 in de zaken tussen
[naam horecabedrijf] B.V., eiseres,
de burgemeester van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, de burgemeester
Procesverloop
Overwegingen
wordeningetrokken als een leidinggevende van een horecabedrijf niet langer voldoet aan het vereiste dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De burgemeester vindt dat [eiser] in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
Hierin is besproken dat uit onderzoek is gebleken dat er ten aanzien van u meerdere feiten en omstandigheden bekend zijn op basis waarvan er bedenkingen zijn ten aanzien van uw levensgedrag. U bent er op gewezen dat een volgende overtreding rechtstreeks gevolgen kan hebben voor uw horecavergunningen voor beide ondernemingen.”
“in bepaalde gevallen – met name indien niet langer wordt voldaan aan de eisen, welke voor vergunningverlening gelden – dient aan het bestaan van een verleende vergunning een einde te worden gemaakt.”(Kamerstukken II, 1961-1962, 6811, nr. 3). Hieruit blijkt dat de intrekking van de vergunning als niet langer wordt voldaan aan de eis dat de exploitant niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn, door de wetgever expliciet is beoogd. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis uit 1880 dat de wetgever aandacht heeft gehad voor de afweging van het individuele en het algemeen belang (Kamerstukken II, 1879-1880, 168, nr 3). De gevolgen van het verlies van een vergunning zijn door de wetgever aldus verdisconteerd. Maar ook als wordt overgegaan tot een beginselconforme uitleg van de DHW of als de evenredigheid wordt getoetst op grond van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zoals hiervoor is geconcludeerd, heeft de burgemeester in redelijkheid kunnen vinden dat [eiser] niet langer voldoet aan het vereiste dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Er is uitgebreid ingegaan op de gedragingen die aan de intrekking van de horecavergunningen ten grondslag zijn gelegd. Daar komt bij dat [eiser] door de jaren heen bij overtredingen een aantal keren is gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen voor zijn horecavergunningen, zoals bij de gedragingen C en I en tijdens het gesprek waarbij hem een vergunning voor de exploitatie van [naam horecabedrijf] werd verleend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te zeggen dat de burgemeester in dit geval had moeten volstaan met een lichtere maatregel. Dat de intrekking ingrijpende gevolgen heeft voor zijn [eiser] en zijn gezin, is aannemelijk, maar onder de gegeven omstandigheden niet onevenredig.
Beslissing
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
artikel 7:3van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.