Eiser, bestuurder van een BV en erfgenaam van aandelen, werd geconfronteerd met terugvordering van ZW- en WIA-uitkeringen door het UWV, omdat hij als directeur-grootaandeelhouder (DGA) werd aangemerkt. De rechtbank onderzocht de vraag wie het stemrecht over de aandelen bezat en of eiser aan de criteria van DGA voldeed.
De rechtbank stelde vast dat eiser en zijn nicht gezamenlijk het stemrecht over alle aandelen hadden, waarmee zij meer dan tweederde van de stemmen vertegenwoordigden en dus besluiten over ontslag konden nemen. Hierdoor kwalificeerde eiser zich als DGA. De terugvordering van de uitkeringen werd daarom als terecht beoordeeld.
Eiser voerde aan dat terugvordering met terugwerkende kracht onrechtmatig was en dat hij geen aandelen bezat, maar deze argumenten werden verworpen. Ook het verzoek om schadevergoeding werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht en proceskostenvergoedingen af.