ECLI:NL:CRVB:2015:2826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en boete WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs simulatie
Appellante was sinds 9 mei 2005 arbeidsongeschikt wegens rugklachten en later psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 24 mei 2007 een WIA-uitkering toe. Later stelde het UWV dat appellante haar klachten simuleerde en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
Na diverse medische onderzoeken en psychiatrische expertises concludeerden verzekeringsartsen en psychiaters dat er aanwijzingen waren voor simulatie, waarop het UWV besloot de uitkering met terugwerkende kracht in te trekken en de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze besluiten, die door de rechtbank werden bevestigd.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitkering ten onrechte is verstrekt vanaf 24 mei 2007. De eerdere medische onderzoeken uit 2007 waren zorgvuldig en de latere conclusies over simulatie worden niet voldoende ondersteund door de expertises. Hierdoor vervalt de grondslag voor intrekking met terugwerkende kracht en voor de boete. De Raad vernietigt de bestreden besluiten en herroept de intrekkings- en boetebesluiten van het UWV.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht. Het UWV zal zich opnieuw beraden over het terugvorderingsbesluit. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 augustus 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de intrekkings- en boetebesluiten van het UWV wegens onvoldoende bewijs van simulatie.