Eiser maakte bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering over de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021. Verweerder had de uitkering ingetrokken wegens onjuiste en onvolledige informatie over het levensonderhoud en werkzaamheden van eiser.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen het besluit van 11 juni 2021 niet tijdig was ingediend, maar dat het bestreden besluit hierover onvoldoende is gemotiveerd. Dit deel wordt vernietigd, doch de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd omdat het bezwaar feitelijk niet-ontvankelijk is verklaard wegens te late indiening van bezwaren tegen dit besluit.
Over de periode 1 maart tot 10 juni 2021 constateert de rechtbank dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door onvolledige en niet-onderbouwde verklaringen over zijn uitgaven. Over de periode 11 juni tot 31 augustus 2021 zijn waarnemingen verricht die niet overeenkomen met de door eiser opgegeven uren, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
De rechtbank bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstand over de gehele periode en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.