Eiser, geboren met het syndroom van Down, woonde tot zijn 17 jaar en 4 maanden in Nederland en verhuisde daarna met zijn ouders naar Servië. Op zijn achttiende verjaardag was hij geen ingezetene van Nederland, waardoor het UWV zijn Wajong-aanvraag afwees. Eiser betoogde dat het UWV zijn situatie op zijn zeventiende verjaardag had moeten toetsen en deed een beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen duurzame persoonlijke band met Nederland had op zijn achttiende verjaardag, mede door het langdurige verblijf in Servië en het ontbreken van een middelpunt van zijn maatschappelijke leven in Nederland. De hardheidsclausule biedt geen grond om af te wijken van de dwingendrechtelijke inzettingsvereiste.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen, omdat de wetgever expliciet heeft bepaald dat alleen personen die op hun achttiende verjaardag ingezetene zijn, voor een Wajong-uitkering in aanmerking komen. De bijzondere omstandigheden van eiser en zijn mantelzorgers rechtvaardigen geen afwijking van deze wettelijke eis.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt eiser niet tot vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter M. Venderbosch op 30 april 2024.