Betrokkene, geboren in 1994, vroeg op grond van de Wet Wajong een uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat hij op zijn zeventiende verjaardag niet in Nederland woonde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat betrokkene een duurzame persoonlijke band met Nederland had, waardoor hij als ingezetene moest worden beschouwd.
In hoger beroep betwistte het UWV dit en stelde dat nadere gegevens nodig waren om het ingezetenschap vast te stellen. Betrokkene leverde de gevraagde gegevens aan, waaronder inzage in zijn paspoort. De Raad oordeelde dat de duurzame band met Nederland niet was verbroken, ondanks het verblijf in Marokko bij familie vanwege medische redenen.
De Raad benadrukte dat het ingezetenschap niet automatisch eindigt bij vertrek uit Nederland en dat de bijzondere omstandigheden, zoals de afhankelijkheid van betrokkene van zijn ouders en regelmatige bezoeken, de band met Nederland in stand hielden. Het hoger beroep van het UWV werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een veroordeling van het UWV in de proceskosten.