Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van zijn WIA-uitkering door het UWV, waarbij hij stelt dat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 19 april 2019 ligt en dat het dagloon daarom onjuist is vastgesteld. Het UWV heeft het dagloon berekend op basis van een latere eerste ziektedag, namelijk 8 maart 2021, en stelt dat de medische afzakker geen invloed heeft op de dagloonbepaling.
De rechtbank overweegt dat het begrip medische afzakker alleen relevant is voor de vaststelling van de maatman en het maatmaninkomen, niet voor het dagloon. De wettelijke bepalingen en eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep verhinderen een afwijking van de referteperiode voor het dagloon. Eiser heeft onvoldoende medische gegevens aangeleverd die overtuigen dat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag vóór 8 maart 2021 ligt.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de vaststelling van het dagloon en daarmee de hoogte van de WIA-uitkering door het UWV correct is. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
De uitspraak is gedaan door rechter G. de Jong op 28 juni 2024 en is openbaar. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.