Eiser, een akker- en tuinbouwer met vleesvarkens, kreeg van de minister een boete opgelegd wegens overschrijding van meststofgebruik in 2018. De minister paste artikel 3, eerste lid, van de Meststoffenwet toe om geanalyseerde gehalten in de dikke fractie na mestscheiding buiten beschouwing te laten en vervangende waarden te hanteren. Eiser betwistte deze toepassing en de berekening van de bezinklaag.
De rechtbank oordeelt dat de minister met zijn boetebeleid de grenzen van een redelijke wetsuitleg overschrijdt door ook niet aannemelijke, maar mogelijke geanalyseerde waarden buiten beschouwing te laten zonder concrete aanwijzingen van manipulatie. De fraus legis-bepaling is bedoeld om evidente schijnconstructies tegen te gaan, niet om twijfelachtige waarden te vervangen.
Verder erkent eiser dat zijn opgave van de bezinklaag onjuist is, maar zijn bezwaar tegen het soortelijk gewicht wordt verworpen vanwege gebrek aan objectief bewijs. De rechtbank volgt de minister in diens ruime marges bij de berekening.
De rechtbank stelt de boete na herberekening vast op €20.302,45, maar verlaagt deze vanwege overschrijding van de redelijke termijn met maximaal €2.500,- tot €17.802,45. De minister moet het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de boete betreft.