Eiser werd op een festivalterrein aangehouden wegens vermeend bezit van harddrugs en kreeg een strafbeschikking met een geldboete opgelegd. De korpschef trok daarop de toestemming van eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten in, omdat dit niet verenigbaar zou zijn met zijn betrouwbaarheid en integriteit.
Eiser maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze intrekking. Tijdens de bestuursrechtelijke procedure werd eiser door de politierechter vrijgesproken van de drugsvaststelling waarop de intrekking was gebaseerd. De rechtbank oordeelt dat deze vrijspraak relevant is en dat het besluit van de korpschef niet in stand kan blijven zonder twijfel te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept de intrekking, waardoor eiser zijn toestemming behoudt. Tevens wordt de korpschef veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak benadrukt de toepassing van de onschuldpresumptie en het belang van een eerlijke procesgang in bestuursrechtelijke procedures die samenhangen met strafrechtelijke zaken.