ECLI:NL:RBOBR:2024:3151
Rechtbank Oost-Brabant
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning met vergelijkingsmethode bevestigd
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn tussenwoning per waardepeildatum 1 januari 2022, vastgesteld op € 410.000. De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatierapport en vier vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar zijn met de woning.
De rechtbank oordeelt dat de vergelijkingsmethode juist is toegepast, waarbij rekening is gehouden met waarderelevante verschillen zoals bouwjaar, oppervlakte en kwaliteit. De rechtbank volgt niet het standpunt van eiser dat slechts één vergelijkingsobject gebruikt moet worden. Ook het bezwaar dat de kwaliteit van de woning niet correct is gewaardeerd, wordt verworpen omdat de taxatie deskundig en begrijpelijk is.
Daarnaast bevestigt een eerder gerealiseerde verkoopprijs van € 435.000, geleverd op 8 maart 2024, dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is. Klachten over onvoldoende gegevensverstrekking op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ worden eveneens afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 410.000 wordt ongegrond verklaard.