Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Vught, de heffingsambtenaar
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
. [3]
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser is eigenaar van een rijwoning uit 1999 en betwist de WOZ-waarde van €412.000 die de heffingsambtenaar heeft vastgesteld voor het kalenderjaar 2023. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een taxatierapport waarin de vergelijkingsmethode is toegepast, waarbij drie vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats zijn gebruikt. De m²-prijs van de woning is lager vastgesteld dan die van de vergelijkingsobjecten om niveauverschillen te compenseren.
Eiser stelt dat de gehanteerde m²-prijs te hoog is en pleit voor een lagere waarde van €393.000, gebaseerd op een andere berekening van de m²-prijs. De rechtbank volgt dit niet omdat de door eiser gebruikte vergelijkingsobjecten in de bezwaarfase niet de best vergelijkbare waren en de correcties niet inzichtelijk zijn gemaakt. Daarnaast is de m²-prijs van de woning volgens het taxatierapport juist lager dan die van de vergelijkingsobjecten.
Eiser voert ook aan dat de heffingsambtenaar artikel 40 Wet Pro WOZ heeft geschonden door bepaalde gegevens niet te verstrekken, maar de rechtbank oordeelt dat deze gegevens wel kenbaar waren en dat dit geen reden is voor een proceskostenvergoeding of terugbetaling van het griffierecht. Het verzoek van eiser om het onderzoek te heropenen en de zaak op zitting te behandelen wordt afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €412.000 blijft gehandhaafd.