Eiser verzocht de deken van de Amsterdamse orde van advocaten om inzage, verwijdering, rectificatie en beperking van de verwerking van zijn persoonsgegevens in een klachtdossier. De deken wees deze verzoeken af in besluiten van augustus en november 2023. Eiser stelde hiertegen beroepen in bij de rechtbank Oost-Brabant.
De rechtbank behandelde de zaak op 28 mei 2024 en deed een tussenuitspraak waarin de deken werd opgedragen de gebreken in de besluitvorming te herstellen. De deken verstrekte daarop aanvullende motivering en overhandigde het klachtdossier aan de rechtbank met een beroep op artikel 8:29 AwbPro. De rechtbank oordeelde dat de deken op documentniveau inzichtelijk had gemaakt welke verwerkingsdoeleinden en grondslagen golden en dat het beroep op geheimhouding en beperking van verstrekking terecht was.
Eiser betwistte nog de rechtmatigheid van de verstrekking aan de Raad van Discipline, maar de rechtbank verwierp dit omdat de Raad bevoegd is op grond van de Advocatenwet. Ook het betoog dat de motivering te algemeen was, werd verworpen. De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand omdat de gebreken waren hersteld. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van de deken, laat de rechtsgevolgen in stand en draagt de deken op het griffierecht aan eiser te vergoeden.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 23/2344 en SHE 24/24 einduitspraak
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2024 in de zaken tussen
[naam] , uit [woonplaats] , hierna: eiser
en
de deken van de Amsterdamse orde van advocaten, hierna: de deken
(gemachtigden: mr. S.M. de Waard en mr. A. Kamphuis).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroepen tegen de bestreden besluiten van 4 augustus 2023 (SHE 23/2344) en 27 november 2023 (SHE 24/24) op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
1.1.
Met het eerste besluit is de deken gebleven bij de afwijzing van eisers verzoeken om inzage in de verwerking (artikel 15 AVGPro) en verwijdering van zijn persoonsgegevens (artikel 17 AVGPro) zoals vermeld in de besluiten van 2 mei 2023 en 28 april 2023. Met het tweede besluit is de deken gebleven bij de afwijzing van eisers verzoek om rectificatie (artikel 16 AVGPro) en de gedeeltelijke toewijzing [1] van zijn verzoek om beperking van de verwerking (artikel 18 AVGPro) zoals vermeld in twee afzonderlijke besluiten van 4 augustus 2023.
1.2.
De rechtbank heeft de door eiser tegen de bestreden besluiten ingesteld beroepen op 28 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van de deken deelgenomen.
1.3.
Nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft gesloten heeft zij direct mondeling tussenuitspraak gedaan. Daarbij is de deken in de gelegenheid gesteld het door de rechtbank geconstateerde gebrek in de besluitvorming te herstellen en stukken te overleggen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak. [2]
1.4.
De deken heeft in reactie op de tussenuitspraak met een brief van 18 juli 2024 een aanvullende motivering gegeven. Ook is daarbij het klachtdossier van de deken en het klachtdossier dat aan de Raad van Discipline is gestuurd aan de rechtbank toegezonden en heeft de deken zich voor die klachtdossiers beroepen op artikel 8:29 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
1.5.
Op 13 augustus 2024 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank besloten dat voor de twee door de deken toegezonden klachtdossiers moet worden gehandeld alsof is besloten dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en dat die klachtdossiers daarom niet aan eiser worden toegezonden. Desgevraagd heeft eiser in zijn brief van 26 september 2024 de rechtbank ongeclausuleerd toestemming verleend om de klachtdossiers die eiser niet kent bij de beoordeling van de beroepen te betrekken.
1.6.
Eiser heeft op de aanvullende motivering van de deken van18 juli 2024 met brieven van 16 augustus 2024, 11 september 2024 en 26 september 2024 gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek wordt gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank wijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 augustus 2011 [3] en 15 augustus 2012. [4]
3. De rechtbank is van oordeel dat de deken het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek voldoende heeft hersteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
3.1.
In de brief van 18 juli 2024 heeft de deken een aanvullende motivering gegeven, met daarbij een algemeen overzicht van het klachtdossier om duidelijk te maken hij elk document heeft bekeken en beoordeeld. In die brief heeft de deken zich onder meer op het standpunt gesteld dat hij niet in algemene zin heeft verwezen naar artikel 41, eerste lid, aanhef en onder g, h en i, van de UAVG, maar dat alle zaken waarin de persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt zijn bekeken en beoordeeld. Verder zegt de deken dat zij waar mogelijk transparant is geweest en zij inzage heeft gegeven in de twee AVG-verzoeken van eiser en een overzicht verstrekt. Alleen ten aanzien van de klachtprocedure tussen klagers en beklaagde waarin eiser geen partij is en zijn gegevens als derde zijn verwerkt, heeft de deken specifiek een beroep gedaan op artikel 41, eerste lid, aanhef en onder g, h en i, van de UAVG. Verder stelt de deken dat zij een beroep op de uitzonderingsmogelijkheden in deze artikelleden doet in verband met haar wettelijk vastgelegde plicht tot geheimhouding. Zij vindt dat een klachtdossier in het geheel een verzameling van documenten waarbij de geheimhouding op alle documenten, met inbegrip van de daarin verwerkte persoonsgegevens, van toepassing is en een beroep op artikel 41, eerste lid, aanhef en onder g, h en i, van de UAVG noodzakelijk is. Een andersluidend oordeel zou volgens de deken afbreuk doen aan de goede werking van onder andere de Advocatenwet en de Gedragsregels 2018. De geheimhouding van een advocaat is een algemeen rechtsbeginsel van onze democratische rechtstaat. Dit betekent volgens de deken dat als communicatie onder de geheimhoudingsplicht van de advocaat valt, het maatschappelijk belang dat de waarheid aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat ieder persoon zich vrijelijk en zonder vrees van openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot een advocaat moet kunnen wenden. Doorbreking van de geheimhouding is een strafbaar feit. De plicht tot geheimhouding behoort tevens tot de kernwaarden van de advocatuur en doorbreking daarvan door de advocaat kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde komen. Van zo’n uitzondering is volgens de deken in dit geval geen sprake. De deken en haar medewerkers zijn ook verplicht tot geheimhouding van alles waarvan zij uit hoofde van hun beroepsuitoefening kennisnemen op grond van artikel 45a, derde lid, van de Advocatenwet. Dit betekent volgens de deken dat voor communicatie in klachtzaken en zeker ook in toezichtzaken, het maatschappelijk belang dat de waarheid aan het licht moet komen, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat geheimhouding een wezenlijk onderdeel is van de klachtprocedure/toezichtonderzoek en maakt dat in alle vertrouwelijkheid en (daardoor) vrijheid tussen klager (of signaalgever) en beklaagde en deken/stafmedewerkers kan worden gecommuniceerd over een ingediend(e)klacht/signaal. Juist vanwege het gevoelige karakter van de materie – een terechte, maar zeker een onterecht(e) klacht/signaal, kan schadelijk zijn ten aanzien van de reputatie van degene tegen wie de klacht gericht is –, is vertrouwelijkheid volgens de deken van doorslaggevend belang. Als inzage dient te worden gegeven in welke documenten welke persoonsgegevens staan, wordt de klachtprocedure/ toezichtonderzoek in de kern aangetast. Mensen zullen niet of minder gaan klagen/signalen afgegeven, waardoor het toezicht door de deken wordt bemoeilijkt. De impact van het toewijzen van eisers beroep kan daarom aanzienlijke, en volgens de deken, onwenselijke gevolgen en precedentwerking hebben. Communicatie in klachtprocedures/toezichtzaken valt volgens de deken ook onder deze geheimhouding en strekt zich uit tot alle details, omdat anders door inzageverzoeken het onderzoek kan worden gefrustreerd doordat verzoekers kunnen opvragen in welke documenten hun persoonsgegevens voorkomen. Al met al is de deken van mening dat zij in verband met haar geheimhouding voor het klachtdossier terecht en gemotiveerd een beroep op artikel 41, eerste lid, aanhef en onder g, h en i, van de UAVG heeft gedaan.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de deken met haar brief van 18 juli 2024 en het daarbij gevoegde overzicht op documentniveau inzichtelijk heeft gemaakt wat de verwerkingsdoeleinden zijn en daarin per document de grondslag om de verstrekking van daarvan te beperken heeft genoemd.
3.3.
De deken heeft het klachtdossier met een beroep op artikel 8:29 vanPro de Awb aan de rechtbank verstrekt. Eiser heeft in zijn brief van 26 september 2024 de rechtbank desgevraagd ongeclausuleerd toestemming verleend om het klachtdossier dat eiser niet kent, bij de beoordeling van de beroepen te betrekken. Eiser vindt echter dat de deken geen juiste uitvoering aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak heeft gegeven, want er is geen voor hem controleerbare motivering gegeven. Daarom vindt eiser dat de deken misbruik van recht maakt. De rechtbank volgt eiser hierin niet, omdat de deken naar het oordeel van de rechtbank met haar reactie in de brief van 18 juli 2024 op juiste wijze heeft voldaan aan opdracht van de rechtbank zoals vermeld in rechtsoverweging 5.4 van de tussenuitspraak. De deken heeft daarin toegelicht welk concreet belang zich in het licht van de weigeringsgrond tegen de verzoeken van eiser verzet. Uit het klachtdossier blijkt dat de deken daadwerkelijk tot beperking van de verstrekking van eisers persoonsgegevens richting de Raad van Discipline is overgegaan, zoals zij eerder heeft gesteld.
3.4.
Eiser geeft in zijn brief van 26 september 2024 aan dat hij niet langer betwist dat de deken zijn persoonsgegevens mag verwerken in het kader van een klachtprocedure. Ook wordt niet betwist dat de deken een geheimhoudingsplicht heeft. De rechtbank begrijpt eisers standpunt zo dat hij vindt dat deken onrechtmatig heeft gehandeld door zijn persoonsgegevens aan de in zijn ogen onbevoegde Raad van Discipline te verstrekken. De rechtbank volgt eiser echter niet dat die verstrekking onrechtmatig is, omdat op grond van de Advocatenwet de Raad van Discipline wel bevoegd is om te oordelen over klachten over een advocaat. Eisers persoonlijke opvattingen over de bevoegdheid doet niet ter zake. Daar komt nog bij dat de deken met het besluit van 4 augustus 2023 de verstrekking van eisers persoonsgegevens aan de Raad van Discipline heeft beperkt. Eisers heeft in dat verband nog gesteld dat de deken had moeten optreden tegen het verstrekken van zijn persoonsgegevens door derden aan de Raad van Discipline. Dat valt echter buiten de omvang van het geding. De hier aan de orde zijnde besluitvorming van de deken bevat immers geen bevoegdheid van de deken om derden te gelasten op een bepaalde wijze met eisers persoonsgegevens om te gaan. Als eiser het niet eens is met hoe derden met zijn persoonsgegevens zijn omgegaan, moet hij zich tot die derden wenden.
3.5.
Eiser heeft ook gesteld dat de verwerkingsdoeleinden door de deken te algemeen zijn gemotiveerd en dat, zo begrijpt de rechtbank, in zijn concrete zaak moet worden aangetoond dat dat belang daarin ook aan de orde is. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals ook al in met name rechtsoverweging 5.2 van de tussenuitspraak is overwogen, neemt een van de overheid onafhankelijke advocatuur in een rechtsstaat een onmisbare plaats in om de individuele rechtsbescherming te waarborgen. Mede vanuit die gedachte is in de Advocatenwet in een tuchtrecht voorzien dat in grote mate door de beroepsgroep van advocaten zelf wordt bediend. De door de deken genoemden belangen van artikel 41, eerste lid, van de UAVG bieden in algemene zin voldoende grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van klachtenprocedures. Uit de nadere motivering van de deken in zijn brief van 18 juli 2024 met het daarbij overgelegde overzicht, is gebleken dat in dit geval door de deken binnen die gestelde kaders is gehandeld. Dat eiser hiervan kennelijk niet is overtuigd is niet van doorslaggevende betekenis. De hiervoor besproken motiveringsplicht van de deken gaat niet zo ver dat zij daaraan pas voldoet als eiser ook persoonlijk overtuigd is geraakt van de door de deken gebezigde motivering.
3.6.
Eiser heeft in zijn brief van 16 augustus 2024 nog diverse verzoeken aan de rechtbank gedaan. Over het aanbod van eiser aan de deken om te schikken of een mediationtraject in te gaan (genoemd onder a., e. en f.), merkt de rechtbank op dat het eiser vrij staat om de deken zelf te benaderen. De rechtbank ziet daarin (in dit stadium van de procedure) geen rol (meer) voor zichzelf weggelegd. Verder roept de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak (rechtsoverweging 3.1) reeds heeft geoordeeld dat zij geen rol heeft in het advocatentuchtrecht. Eisers verzoek (genoemd onder b. en d.) om – kort gezegd – de deken op te dragen een klacht (van eiser) tegen de daar genoemde advocaten in behandeling te nemen valt daarom buiten de omvang van het geding.
Conclusie en gevolgen
4. Uit de tussenuitspraak volgt dat de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond zijn. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. Omdat de deken het geconstateerde gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand laten.
4.1.
Omdat de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond zijn, zal de rechtbank bepalen dat de deken aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.
4.2.
Omdat eiser in deze procedures geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook verder geen andere proceskosten heeft vermeld, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling (zoals door eiser ongemotiveerd is verzocht in zijn brief van 16 augustus 2024 onder c.).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de bestreden besluiten van 4 augustus 2023 en 27 november 2023;
laat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand;
draagt de deken op het betaalde griffierecht van 2 x € 184,– aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is geschied in het openbaar op 25 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
1.In het besluit staat dat het verzoek is afgewezen, maar tegelijkertijd is daarin overwogen dat verstrekking van eisers persoonsgegevens aan de Raad van Discipline is beperkt.