Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 november 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
[derde belanghebbende], uit [woonplaats] , de ex-werkgever (gemachtigde: mr. A.T. Meijhuis).
Rechtbank Oost-Brabant
De ex-werknemer heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om geen loonsanctie op te leggen aan haar ex-werkgever, omdat deze voldoende re-integratie-inspanningen zou hebben verricht. De rechtbank overweegt dat het UWV het besluit over de loonsanctie uiterlijk zes weken voor het einde van de wachttijd moet nemen, en dat in deze zaak de wachttijd op 31 januari 2019 is geëindigd. Omdat de WIA-uitkering pas op 28 februari 2019 is aangevraagd, kon het UWV geen loonsanctie meer opleggen.
De ex-werknemer stelt dat zij schade heeft geleden door het niet opleggen van de loonsanctie en dat de bedrijfsarts haar belastbaarheid onjuist heeft vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat de rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, waarop het UWV zich baseert, voldoende gemotiveerd zijn en dat de bedrijfsarts de belastbaarheid niet wezenlijk onjuist heeft vastgesteld. De vertraging in het opstarten van spoor 2 is niet aan de ex-werkgever te wijten.
De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat de ex-werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd en dat het beroep van de ex-werknemer ongegrond is. De ex-werknemer heeft geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten. Voor eventuele schadevergoeding dient zij zich tot de civiele rechter te wenden.
Uitkomst: Het beroep van de ex-werknemer tegen het niet opleggen van een loonsanctie is ongegrond verklaard.