ECLI:NL:RBOBR:2025:2346

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
24/3535
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 Verordening gemeentelijke hondenbelasting 2024Artikel 3 Verordening gemeentelijke hondenbelasting 2024Artikel 2 Regeling gemeentelijke belastingen 2013Artikel 4 Besluit Bestuurlijke Boeten Gemeentelijke Belastingen 2016
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag hondenbelasting en verzuimboete wegens niet tijdig aangifte

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 9 april 2025 uitspraak gedaan in het bestuursrechtelijke geschil tussen eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch over een aanslag hondenbelasting en een verzuimboete.

Uit controle bleek dat eiser houder is van een hond in de periode april tot en met december 2024. De gemeente legde daarom een aanslag hondenbelasting van €68,08 op en een verzuimboete van €102,12 omdat eiser niet binnen veertien dagen na het ontstaan van de belastingplicht aangifte had gedaan. De aanslag en boete werden gehandhaafd na bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat hondenbelasting een algemene belasting is zonder concrete tegenprestatie en dat de gemeenteraad een ruime discretionaire bevoegdheid heeft om vrijstellingen te bepalen, mits dit niet leidt tot willekeur of onredelijkheid. Eiser valt niet onder een vrijstelling. De verzuimboete is terecht opgelegd omdat eiser niet aan zijn aangifteplicht voldeed, ondanks registratie bij een databank. De hoogte van de boete is passend en noodzakelijk om belastingheffing te waarborgen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag hondenbelasting en verzuimboete wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3535

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

9 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: mr. R.A.M.T. Klaassen).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 9 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Motivering

1. Bij een controle door de heffingsambtenaar op 5 april 2024 is vastgesteld dat eiser houder is van een hond.
2. De heffingsambtenaar heeft eiser op 30 juni 2024 een aanslag in de hondenbelasting opgelegd van € 68,08, omdat eiser in de periode van 5 april 2024 tot en met 31 december 2024 houder was van een hond. De heffingsambtenaar heeft eiser ook op 30 juni 2024 een verzuimboete opgelegd van € 102,12, omdat hij niet binnen veertien dagen na het ontstaan van de belastingplicht aangifte van zijn hond heeft gedaan bij de heffingsambtenaar. Met de uitspraak op bezwaar van 27 september 2024 heeft de heffingsambtenaar de aanslag en de verzuimboete gehandhaafd.
3. De hondenbelasting is een algemene belasting. Algemene belastingen hebben als doel om inkomsten te verwerven voor – in dit geval – de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Dit betekent dat de opbrengsten daarvan niet voor een bepaald doel hoeven te worden aangewend en er ook geen concrete tegenprestatie door de gemeente hoeft te worden geleverd voor het heffen van deze belasting. De gemeente is dus niet verplicht om de inkomsten van die belasting (alleen) uit te geven aan (faciliteiten voor (houders van)) honden. [1] Ook wordt de belastingplicht niet teniet gedaan als de gemeente onvoldoende zou optreden tegen door eiser ervaren overlast van andere honden(bezitters).
4. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij in de periode van januari 2024 tot en met 31 december 2024 houder was van zijn hond. Daaruit volgt dat eiser in principe belastingplichtig is voor de hondenbelasting. [2] De gemeenteraad heeft in een limitatief aantal gevallen vrijstelling van de hondenbelasting verleend. [3] Vaststaat dat eiser onder geen van deze vrijstellingen valt. Dit betekent dat van eiser hondenbelasting kan worden geheven, zoals in eerdere rechterlijke uitspraken in vergelijkbare gevallen al is geoordeeld. [4] Het is in principe aan de gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch om te bepalen voor welke gevallen zo’n vrijstelling geldt. Dit vergt een politieke afweging waarbij de gemeenteraad (dus) een grote vrijheid heeft. Die vrijheid kent wel een grens; het gebruikmaken daarvan mag niet resulteren in een onredelijke of willekeurige belastingheffing. Er is niet gebleken dat dit laatste geval zich voordoet. Eiser is dus terecht aangeslagen voor de hondenbelasting en voor een niet te hoog bedrag.
5. Eiser vindt de opgelegde verzuimboete onterecht. Eiser zegt dat hij zijn hond bij de Stichting Nederlandse Databank Gezelschapsdieren (NDG) heeft geregistreerd en dat de heffingsambtenaar dat aldaar had kunnen controleren. De rechtbank stelt vast dat eiser als houder van zijn hond verplicht is om binnen veertien dagen na de dag waarop hij zijn hond is gaan houden aangifte te doen bij de heffingsambtenaar. [5] Dit staat ook op de website van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Eiser heeft niet aan zijn aangifteplicht voldaan. Nergens staat dat een uitzondering van de aangifteplicht geldt voor houders die hun hond bij de NDG hebben geregistreerd. De heffingsambtenaar heeft overigens ook gemotiveerd gesteld dat hij vanwege privacywetgeving de registraties van de NDG niet mag en kan inzien. Dit betekent dat aan eiser terecht een verzuimboete is opgelegd. De hoogte van het boetebedrag is het jaarbedrag aan hondenbelasting voor het houden van één hond. [6] De rechtbank acht de hoogte van de boete passend en geboden. Met het niet doen van aangifte wordt de belastingheffing – die in het algemeen belang is – onnodig gehinderd. Daarop moet dan ook een sanctie staan om dergelijk gedrag onaantrekkelijk te maken. Omstandigheden om het boetebedrag te matigen of op nihil te stellen zijn niet gebleken.
6. Omdat het beroep ongegrond is, is voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd. De toezending vindt plaats doordat een afschrift daarvan in het online zaakdossier wordt geplaatst.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.
griffier
rechter

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6295.
2.Artikel 2, eerste lid, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente 's-Hertogenbosch, houdende regels betreffende de heffing en de invordering van een belasting op honden 2024 (Verordening).
3.Artikel 3 van Pro de Verordening.
4.Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2001, ECLl:NL:GHAMS:2001:AE0816, en rechtbank Oost-Brabant 6 maart 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:1146.
5.Artikel 2, eerste lid, van de Verordening in samenhang gelezen met artikel 2, tweede lid, van de Regeling met betrekking tot de heffing en de invordering van de gemeentelijke belastingen 2013.
6.Artikel 4 van Pro het Besluit Bestuurlijke Boeten Gemeentelijke Belastingen 2016.