ECLI:NL:RBOBR:2025:2708
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde appartement met vergelijkingsmethode en VvE-reserve correct
Eiser is eigenaar van een etagewoning uit 1971, bestaande uit 87 m² hoofdbouw en 7 m² berging. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2023 vast op €263.000, gebaseerd op een taxatierapport van februari 2024. Dit rapport gebruikte de vergelijkingsmethode met vier vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats.
Eiser betwist de waarde, met name omdat volgens hem onvoldoende rekening is gehouden met de meeverkochte aandelen in de VvE-reserve, de gedateerde keuken en badkamer, de matige onderhouds- en duurzaamheidsstaat, en de ligging op een hogere etage. De heffingsambtenaar heeft deze punten gemotiveerd weersproken en toegelicht dat correcties zijn toegepast in de taxatie.
De rechtbank stelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De stellingen van eiser zijn onvoldoende onderbouwd en hij heeft niet aan zijn bewijslast voldaan. De taxatie is begrijpelijk en houdt rekening met relevante factoren, waaronder de VvE-reserve en onderhoudstoestand.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het griffierecht af en kent geen proceskosten toe. De uitspraak is gedaan door rechter A.F. Vink en griffier F.E.M. Wintjes op 27 maart 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €263.000 wordt ongegrond verklaard.