ECLI:NL:RBOBR:2025:2738
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning ondanks slechte staat en voorzieningen
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres in een woonplaats, vanwege de slechte en onbewoonbare staat van het pand. De woning is een hoekwoning uit 1959 met een oppervlakte van 118 m² en een berging van 11 m², gelegen op een perceel van 239 m². De heffingsambtenaar stelde de waarde voor het kalenderjaar 2023 vast op €311.000, met een waardepeildatum van 1 januari 2022.
De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in beroep aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatie is gebaseerd op een vergelijkingsmethode met drie vergelijkingsobjecten in dezelfde woonplaats, waarbij correcties zijn toegepast voor de slechtere staat van de woning. Zowel het onderhoud als de voorzieningen zijn gewaardeerd als 'slecht' en de kwaliteit als 'matig', wat resulteert in een correctie van €600 op de gemiddelde eenheidsprijs.
Eiser voerde aan dat de woning volledig gestript was en onbewoonbaar, maar kon dit niet met voldoende bewijs onderbouwen. Ook de bewering dat de WOZ-waarde te sterk was gestegen ten opzichte van andere woningen werd door de rechtbank verworpen, omdat de waardebepaling volgens de Wet WOZ gebaseerd moet zijn op transacties rond de waardepeildatum. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de waarde voldoende heeft onderbouwd en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €311.000 wordt ongegrond verklaard.