ECLI:NL:RBOBR:2025:3014
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling studiefinanciering 2019 en toepassing hardheidsclausule
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om studiefinanciering toe te kennen over de periode januari tot en met oktober 2019, maar pas in 2023. Eiser betoogt dat hij benadeeld is doordat de studiefinanciering laat is toegekend en dat de normbedragen van 2023 hadden moeten gelden. De rechtbank onderzoekt of toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is.
De minister heeft de studiefinanciering vastgesteld op basis van de normbedragen die gelden voor het jaar 2019, conform artikel 3.18 van de Wsf 2000 en de Regeling van 21 november 2018. De rechtbank stelt vast dat deze normbedragen niet met terugwerkende kracht kunnen worden aangepast en dat het toepassen van de normbedragen van 2019 passend is bij de periode waarvoor de studiefinanciering is toegekend.
De rechtbank oordeelt dat het late tijdstip van toekenning in 2023 geen aanleiding geeft om af te wijken van de wettelijke normbedragen en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. Ook het argument dat eiser onder het nieuwe studiefinancieringsstelsel per 1 september 2023 zou moeten vallen, wordt verworpen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit tot studiefinanciering 2019 wordt ongegrond verklaard.