ECLI:NL:RBOBR:2025:4969
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling re-integratie-inspanningen en dagloon bij WIA-uitkering
Eiser, werkzaam als onderwijsassistent, meldde zich op 17 mei 2021 ziek en vroeg op 25 februari 2023 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een WIA-uitkering toe per 15 mei 2023 en stelde het dagloon vast op € 3.150,05. Eiser betwistte de hoogte van het dagloon en het ontbreken van een loonsanctie tegen zijn werkgever wegens vermeende onvoldoende re-integratie.
De rechtbank stelde vast dat het UWV het dagloon onjuist had berekend doordat een loonaanvulling op grond van de WWplus-regeling niet was meegenomen. Na correctie werd het dagloon vastgesteld op € 197,88 en het WIA-maandloon op € 4.303,89, waar eiser mee instemde. De rechtbank oordeelde verder dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat er geen reden was voor een loonsanctie, omdat het voortduren van de arbeidsrelatie re-integratie in de weg stond en geen re-integratiekansen waren gemist.
De rechtbank wees erop dat een loonsanctie een reparatoir karakter heeft en alleen kan worden opgelegd als herstel mogelijk is. Gezien de medische informatie en de onherroepelijke civiele procedure tussen partijen, werd de werkgever niet langer als derde-partij toegelaten. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het dagloon en wees het verder af, vergoedde het griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de dagloonvaststelling en afgewezen voor de loonsanctie; het dagloon wordt vastgesteld op € 197,88 en het WIA-maandloon op € 4.303,89.