Uitspraak
1.2 Deze onduidelijkheid in de besluitvorming bestaat er niet voor wat de twee kleine paradijsvogels betreft. Naar het oordeel van de rechtbank kon eiseres bij de overname van deze dieren in 2023 weten dat er meer werd verlangd dan alleen een gesloten pootring en een overdrachtsverklaring. De strengere eisen die de staatssecretaris stelt, vindt de rechtbank ook niet onredelijk. Dat leidt ertoe dat de last onder bestuursdwang, voor zover die betrekking heeft op de twee kleine paradijsvogels, in stand kan blijven. Dit deel van het bestreden besluit blijft in stand, net als de last onder bestuursdwang. Dat betekent dat staatssecretaris de enige overgebleven kleine paradijsvogel in beslag mag nemen.
Sulawesi-jaarvogel en één kleine paradijsvogel overleden.
28 augustus 2025 mee te voeren en op te slaan.
nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 (de Uitvoeringsverordening).
Beoordelingsruimte en bewijslast
ten genoegenvan de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat
aangetoond isdat die specimens verkregen werden overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna” een beoordeling van de staatssecretaris vergt. De staatssecretaris komt bij het toezicht op de naleving van dit verbod dan ook beoordelingsruimte toe die hij in overeenstemming met de verordeningen en de bedoelingen daarvan moet invullen. Deze invulling toetst de rechtbank terughoudend.
Handhavingsbeleid en toezichtspraktijk tot 2019
“Ik ben vorig jaar gestopt bij de NVWA. Ik heb een inspectie uitgevoerd bij meneer
[naam] . Voor 2019 was alleen een naadloos gesloten pootring voldoende. Als er geen pootring was, dan was er een overdrachtsverklaring nodig. Later zijn de richtsnoeren gekomen en is een strenger regime gehanteerd. Op de site stond gewoon dat het voldoende was om een naadloos gesloten pootring te hebben.”
Deze toezichthouder heeft namelijk laten weten dat tot de komst van de Richtsnoeren werd volstaan met een naadloos gesloten pootring, maar daarna niet meer. De kleine paradijsvogels, zo heeft eiseres tijdens de zitting laten weten, zijn daarna – in 2023 – door ruiling overgenomen. Op dat moment kon eiseres dus in ieder geval ermee bekend zijn dat een gesloten pootring niet meer voldoende was als bewijs voor een uitzondering op het bezitsverbod.
De staatssecretaris kan dus om stukken vragen die aantonen dat een beroep op de uitzondering kan worden gedaan. De rechtbank verwijst daarvoor in de eerste plaats naar artikel 54 van Pro de Uitvoeringsverordening. Daaruit volgt dat de uitzondering op het bezitsverbod van toepassing is op de nakomeling van een beschermde diersoort die is geboren in een gecontroleerd milieu, en is voortgekomen uit een paring van ouders die op dat moment ook al in een gecontroleerd milieu leefden. De staatssecretaris moet dus kennis hebben van de omgeving of de locatie waar het dier is geboren, van de ouderdieren van de nakomeling en van de locatie waar zij leefden op het moment van de paring. Die informatie moet eiseres in de eerste plaats leveren, omdat zij een beroep doet op de uitzondering en dat volgt uit artikel 54 van Pro de Uitvoeringsverordening. Het invullen van alleen een overdrachtsverklaring kan de staatssecretaris als onvoldoende beschouwen, omdat daarmee niet kan worden gecontroleerd of de aangeleverde informatie juist is. Hoewel het opleggen van een last onder bestuursdwang een belastend besluit is, mag van eiseres worden verwacht dat zij in de eerste plaats informatie levert over waar, wanneer en van welk ouderdier, het dier is geboren, omdat zij bij de overname al de beschikking behoort te hebben over deze informatie. De informatie die de staatssecretaris hiermee vraagt, is ook in lijn met de informatie waarover eiseres volgens de Richtsnoeren al bij een overname moet beschikken en het formulier dat op basis van de Richtsnoeren tot stand is gekomen. Een gesloten pootring heeft de staatssecretaris ook onvoldoende kunnen achten om de redenen die op bladzijde negen van het bestreden besluit worden genoemd. Het betoog van eiseres dat de staatssecretaris te strenge eisen stelt aan de bewijsvoering slaagt dus niet.
Beginselplicht tot handhaving
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de Sulawesi-jaarvogels;
- treft de voorlopige voorziening dat de last onder bestuursdwang wordt geschorst, voor zover de last betrekking heeft op de overgebleven Sulawesi-jaarvogel, tot zes weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres;
- laat het bestreden besluit voor het overige (de kleine paradijsvogels) in stand;
Bijlage
Artikel 8- Bepalingen betreffende de controle op handelsactiviteiten
(…).
5. De in lid 1 genoemde verbodsbepalingen gelden ook voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.
6. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen de specimens van de in de bijlagen B tot en met D bij deze verordening genoemde soorten die zij uit hoofde van deze verordening verbeurd hebben verklaard, verkopen op voorwaarde dat zij op deze wijze niet rechtstreeks terugkeren naar de natuurlijke of rechtspersoon waarvan zij in beslag werden genomen of die medeschuldig aan de inbreuk is. Deze specimens kunnen dan voor alle doeleinden worden gebruikt alsof zij legaal waren verworven.
Artikel 54- In gevangenschap geboren en gefokte specimens van diersoorten
Artikel 11.93(verboden te handelen in strijd met cites-basisverordening)
Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste lid, eerste zin, tweede lid, eerste zin, derde en vierde lid, 5, eerste en vierde lid, eerste zin, 6, derde lid, 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid, en 9, eerste, vierde en vijfde lid, van de cites-basisverordening.
Artikel 11.96(aanvullend verbod bezit van en handel in dieren en planten)
Artikel 11.97(uitzondering op bezits- en handelsverboden voor gefokte vogels)
b. het onder zich hebben van een aantoonbaar gefokte vogel van een soort die is genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening;
3. Voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de cites-basisverordening, en die geen soort als bedoeld in artikel 1 van Pro de vogelrichtlijn is, geldt het eerste lid:
c. voor een vogel die behoort tot een soort, genoemd in bijlage B, C of D bij de cites-basisverordening, alleen als:
(…).
Artikel 11.103(administratieve verplichtingen voor het fokken van dieren of het kweken van planten)
Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij over dat dier of die plant die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde regels, als het dier of de plant behoort tot:
c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van:
(…).
Omgevingsregeling- Artikel 4.32 (administratieve verplichtingen voor fokken van dieren, kweken van planten en sommige cites-soorten)
Dit artikel is van toepassing op degene die een levend gefokt dier, een levende gekweekte plant of een uit het wild afkomstig levend dier onder zich heeft, en de daar bijbehorende administratie als bedoeld in artikel 11.103 van het Besluit activiteiten leefomgeving bijhoudt als het dier of de plant behoort tot:
c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de cites-basisverordening, met uitzondering van:
(…).
Artikel 3.27
c.de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van: