Verzoekers, eigenaren van het naastgelegen perceel, hebben bezwaar gemaakt tegen de in 2020 verleende omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een bedrijfspand, omdat zij menen dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen. Zij verzochten het college de vergunning in te trekken, hetgeen werd geweigerd. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers geen procesbelang hebben bij de voorlopige voorziening omdat een schorsing van het besluit niet leidt tot stillegging van de bouwwerkzaamheden.
De vergunning is onherroepelijk en de inhoud daarvan staat niet ter discussie. De rechtbank toetst slechts of het college de belangenafweging omtrent de intrekking van de vergunning in redelijkheid heeft gemaakt. Het college heeft de belangen van vergunninghoudster, die de bouwwerkzaamheden aantoonbaar is gestart en voortzet, zwaarder laten wegen dan de belangen van verzoekers. Dit oordeel wordt door de voorzieningenrechter bevestigd.
Verzoekers betwisten dat er sprake is van een bouwstart en voeren aan dat het bedrijf is verhuisd, maar de toezichtrapporten tonen aan dat de werkzaamheden daadwerkelijk zijn hervat en in volle gang zijn. Ook andere aangevoerde gronden zoals aanwezigheid beschermde diersoorten en privaatrechtelijke belemmeringen leiden niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter wijst het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart het beroep ongegrond.