ECLI:NL:RBOBR:2025:7592

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
25/2134 en 25/2674
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening en beroep inzake omgevingsvergunning

Deze uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening en een beroep tegen de weigering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk om een omgevingsvergunning in te trekken. Verzoekers, die zich benadeeld voelen door de verleende vergunning, hebben beroep ingesteld omdat zij van mening zijn dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen. De voorzieningenrechter heeft op 21 november 2025 geoordeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Het college heeft in redelijkheid de belangen van de vergunninghoudster bij het in stand houden van de omgevingsvergunning kunnen laten prevaleren boven de belangen van de verzoekers bij intrekking. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de vergunninghoudster aantoonbaar is gestart met de bouwwerkzaamheden, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen. De voorzieningenrechter heeft ook de procesbelangen van de verzoekers beoordeeld en geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de omgevingsvergunning in te trekken. De uitspraak bevestigt dat de belangenafweging door het college correct is uitgevoerd en dat de verzoekers geen gelijk hebben gekregen in hun beroep.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/2134 en 25/2674
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, het college,
(gemachtigde: mr. R.H.A.G. Vervoort)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [vestigingsplaats] , vergunning-houdster,
(gemachtigde: [naam] en [naam] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning en de weigering tot intrekking daarvan. Verzoekers zijn het met name niet eens met dat besluit omdat zij van oordeel zijn dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen. Zij hebben daarom beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen en het bestreden besluit in stand kan blijven. Het college heeft in redelijkheid de belangen van vergunninghoudster bij niet-intrekking van de omgevingsvergunning kunnen laten prevaleren boven de belangen van verzoekers bij intrekking. Verzoekers krijgen dus geen gelijk in de beroepszaak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2.1.
Verzoekers hebben een aanvraag tot intrekking ingediend voor de in 2020 verleende omgevingsvergunning. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 26 maart 2025 afgewezen.
2.2.
Bij bestreden besluit van 3 oktober 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 26 maart 2025 in stand gelaten. Verzoekers hebben daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en ook vergunninghoudster heeft een reactie ingediend.
2.4.
Verzoekers hebben hun grieven bij e-mail van 6 oktober 2025 nader aangevuld en het college heeft daarop gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van het college en de gemachtigden van vergunninghoudster.

Feiten en omstandigheden

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1.
Op 29 oktober 2020 is door vergunninghoudster een aanvraag ingediend tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een bedrijfspand aan de [adres] te [vestigingsplaats] (Noord-Brabant). Voor de uitbreiding moet een deel van het huidig bedrijfspand worden gesloopt en er komt circa 372 m2 aan bruto vloeroppervlak bij.
3.2.
Bij besluit van 7 december 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” en “bouw met binnenplanse afwijking” voor het uitbreiden van het bedrijfspand. Deze vergunning is rechtens onherroepelijk.
3.3.
Op 8 januari 2025 hebben verzoekers die eigenaar zijn van het naastliggende perceel aan de [adres] aan het college verzocht over te gaan tot intrekking van de bij besluit van 7 december 2020 verleende omgevingsvergunning.
3.4.
Het college heeft op 30 januari 2025 aan vergunninghoudster kenbaar gemaakt dat ze voornemens is de omgevingsvergunning van 7 december 2020 in te trekken.
3.5.
Op 3 februari 2025 hebben verzoekers een aangepast verzoek voor het intrekken van de omgevingsvergunning gedaan.
3.6.
Op 26 februari 2025 heeft vergunninghoudster hiertegen een zienswijze ingediend. Verzocht is om de verleende omgevingsvergunning in stand te laten omdat aantoonbaar is gestart met de bouwwerkzaamheden aangezien de ondergrondse hemelwaterafvoeren en de verplichte infiltratievoorziening zijn aangelegd. Ook is de grondverbetering om de fundering aan te leggen op een vaste grondlaag volledig uitgevoerd.
3.7.
Met hun brief van 16 maart 2025 hebben verzoekers een reactie gegeven op de zienswijze van vergunninghoudster. Verzoekers betwisten, onder overlegging van foto’s, dat bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.
3.8.
Op 17 maart 2025 heeft een controle plaatsgevonden door een gemeentelijk toezichthouder waarvan op 19 maart 2025 rapport is opgemaakt.
3.9.
Bij het primaire besluit van 26 maart 2025 heeft het college geweigerd de omgevingsvergunning in te trekken omdat vergunninghoudster aantoonbaar een start heeft gemaakt met de werkzaamheden.
3.10.
Op 28 augustus 2025 heeft nogmaals een controle plaatsgevonden door een toezichthouder waarvan een rapport is opgemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Procesbelang voorlopige voorziening
4.1.
Voordat de voorzieningenrechter kan toekomen aan een beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, moet eerst worden beoordeeld of verzoekers procesbelang hebben. Procesbelang is het belang dat een verzoeker heeft bij de uitkomst van de procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de verzoeker voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de verzoeker van feitelijke betekenis is.
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers geen procesbelang bij de verzochte voorlopige voorziening. Verzoekers willen namelijk dat de voorzieningenrechter de bouwwerkzaamheden stillegt, maar dat doel kan niet bereikt worden met de verzochte voorziening. Een schorsing van de weigering tot intrekking van de omgevingsvergunning leidt er niet toe dat de bouwwerkzaamheden niet meer mogen plaatsvinden omdat daarmee niet de werking van de verleende omgevingsvergunning wordt aangetast. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
4.3.
Gezien het feit dat deze voorziening is verzocht hangende beroep en de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij hierna op het beroep van verzoekers daartegen. [1]
Afbakening van het geschil
4.4.
De omgevingsvergunning van 7 december 2020 is onherroepelijk en de rechtmatigheid daarvan staat vast. De inhoud van deze omgevingsvergunning kan daarom niet ter discussie staan. Verzoekers hebben er destijds voor gekozen om geen bezwaar te maken tegen de inmiddels onherroepelijke omgevingsvergunning. Het stond hen vrij die keuze te maken, maar dat houdt wel in dat de bezwaren die zij nu naar voren brengen tegen de omgevingsvergunning zoals de stelling dat bouwen op de perceelsgrens vanaf het begin in strijd was met het bestemmingsplan Buitengebied 2010, niet alsnog naar voren kunnen worden gebracht in deze procedure.
4.5.
Verder ligt ook niet ter beoordeling of anders dan conform de voorwaarden in de omgevingsvergunning wordt gebouwd. De voorzieningenrechter bespreekt daarom niet de gronden die betrekking hebben op de uitvoering of de inhoud van de verleende omgevingsvergunning. Ook de gedeeltelijke sloop van het bedrijfsgebouw dat inmiddels heeft plaatsgevonden, staat niet ter discussie.
4.6.
De voorzieningenrechter kan enkel en alleen een oordeel geven of het college in redelijkheid heeft kunnen beslissen geen gebruik te maken van de bevoegdheid tot intrekking van een omgevingsvergunning van 7 december 2020.
Wettelijk kader
4.7.
Daarbij geldt dat de omgevingsvergunning is verleend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo) en inmiddels de Omgevingswet (Ow) geldt. Op grond van artikel 4.13 lid 1 Invoeringswet Ow is artikel 5.40 Ow van toepassing op een op grond van de Wabo verleende omgevingsvergunning. In artikel 5.40 lid 2 onder b Ow is bepaald dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning kan intrekken op basis van artikel 5.40, tweede lid, aanhef en sub b van de Ow als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De termijn van een jaar is een minimale termijn en geldt voor alle omgevingsvergunningen, tenzij in de vergunning zelf een langere termijn is gesteld.
4.8.
Verder heeft het college met ingang van 11 juli 2025 met betrekking tot het intrekken van een omgevingsvergunning beleidsregels [2] ontwikkeld, waarin wordt ingegaan op de bevoegdheid van het college om vergunningen in te trekken. Dit beleid houdt in dat wanneer zich geen urgente en/of planologische belangen voordoen en gedurende een termijn van minimaal drie jaar na het onherroepelijk worden van de verleende vergunning geen begin is gemaakt met de vergunde activiteit, gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot het intrekken van de omgevingsvergunning. In het geval er een zienswijze tegen intrekking van de omgevingsvergunning is ingediend, wordt bekeken of de ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het geven van een ruimere termijn waarbinnen een begin moet zijn gemaakt met het uitvoeren van de vergunde activiteit.
Discretionaire bevoegdheid
4.9.1.
Verzoekers verwijten het college dat het heeft verzuimd om de omgevingsvergunning in te trekken.
4.9.2.
Niet in geschil is dat vergunninghoudster in ieder geval in de periode 2021-2024 geen gebruik heeft gemaakt van de omgevingsvergunning. Op grond daarvan komt aan het college de bevoegdheid toe om de omgevingsvergunning in te trekken. Vergunninghoudster heeft dit op de zitting ook niet betwist.
4.9.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college gezien artikel 5.40 van de Ow en haar beleid, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bevoegdheid om een omgevingsvergunning in te trekken een zogenoemde discretionaire bevoegdheid betreft. Er is sprake van een ‘kan-bepaling’ en het staat het college vrij om binnen bepaalde marges al dat niet van zijn bevoegdheid om de omgevingsvergunning in te trekken gebruik te maken. Een dergelijk besluit waarbij het college de nodige beleidsruimte heeft, kan door de bestuursrechter slechts terughoudend worden getoetst. Concreet betekent dit dat de rechtbank slechts het bestreden besluit kan vernietigen, indien zij tot het oordeel komt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het in redelijkheid de belangen van vergunninghoudster bij niet-intrekking van de omgevingsvergunning heeft kunnen laten prevaleren boven de belangen van verzoekers bij intrekking. Daarvan is geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
Belangenafweging
4.10.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning het college alle relevante belangen moet inventariseren en afwegen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan vergunninghouder is toe te rekenen. Ook de omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning wel of niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is een relevante omstandigheid die in de afweging dient te worden betrokken.
4.11.
In deze zaak heeft het college het algemeen belang en de belangen van de vergunninghouder (die zich verzetten tegen intrekking) in beeld gebracht en afgewogen tegen de door verzoekers genoemde belangen bij intrekking van de vergunning.
4.12.1
Verzoekers hebben op de zitting benadrukt dat het college hun woonbelang onvoldoende heeft meegewogen want zij ervaren last van vergunninghoudster vanwege geluid, trillingen, stank en vrachtverkeer op 2 meter afstand van hun keuken. Ook hun belangen waaronder de negatieve uitstraling op de waarde en verkoopbaarheid van hun woning die een woonbestemming heeft en te koop staat, heeft het college volledig genegeerd.
4.12.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat het college in het bestreden besluit het woonbelang van verzoekers voldoende heeft meegewogen, maar dat leidt voor verzoekers niet tot gewenste resultaat, omdat het college terecht heeft overwogen dat de ruimtelijke toelaatbaarheid van de bedrijfslocatie al bij het bestemmingsplan is bepaald door het toekennen van een bedrijfsbestemming. Dat heeft het grootste waardedrukkend effect en niet het specifieke bouwplan. Het bouwplan vormt ruimtelijk gezien juist een verbetering doordat de bedrijfsactiviteiten (meer) inpandig kunnen plaatsvinden. Deze grond slaagt niet.
4.13.1
Verzoekers bestrijden verder het door het college genoemd belang van vergunninghoudster, te weten dat de bouwwerkzaamheden ondertussen zijn hervat, waaruit blijkt dat deze nog steeds gebruik wil maken van de verleende omgevingsvergunning. Volgens verzoekers hebben na het voornemen tot intrekking 17 maart 2025 namelijk alleen reactieve handelingen plaatsgevonden (betonstrook, rioolwerk en bouwbord). Dat is geen bouwstart in juridische zin. Vergunninghoudster heeft daarbij ook geen gerechtvaardigd belang meer omdat het bedrijf vanaf 1 januari 2025 is verhuisd naar Molenstraat 24 in Beers. De bedrijfswoning wordt enkel in privé gebruikt. Bovendien heeft het college in bezwaar de situatie ten onrechte ex nunc beoordeeld.
4.13.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de stelling van verzoekers dat de bouwwerkzaamheden niet zijn hervat op 17 maart 2025 niet overeenkomt met het controlerapport van 19 maart 2025. Er is geconstateerd dat er bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Er was in ieder geval begonnen met het aanleggen van de fundering voor het bouwplan. Ten tijde van het bestreden besluit was vergunninghoudster -gelet op het constateringsrapport van de toezichthouder van 29 augustus 2025- zo goed als klaar met het resterende deel van de fundering voor het bouwplan. Ook de staalconstructie was inmiddels geplaatst en vergunninghouder heeft op zitting aangegeven voor het einde van het jaar klaar te zijn met de bouwwerkzaamheden. Daarna zal het bedrijf, dat nu tijdelijk is gevestigd aan de Molenstraat ten behoeve van de verbouwing, weer terugkeren. Hieruit blijkt dat vergunninghoudster alsnog binnen korte termijn de omgevingsvergunning heeft benut door de bouwwerkzaamheden te starten, dat deze ook in volle gang zijn en dat vergunninghoudster daarbij ook een belang heeft. In bezwaar heeft het college daarmee ook terecht rekening gehouden omdat uit vaste rechtspraak [4] volgt dat bij een heroverweging in bezwaar in beginsel een besluit genomen wordt op basis van de op dat moment aanwezige feiten en omstandigheden. Ook deze grond slaagt niet.
4.14.1
Ook hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ten aanzien van de aanwezigheid van beschermde diersoorten en eventuele evident privaatrechtelijke belemmeringen of dat de rapporten die behoren bij de omgevingsvergunning zijn verouderd, leidt niet tot het oordeel dat het college ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de omgevingsvergunningen in te trekken.
4.14.2.
Voor zover verzoekers zich beroepen op een evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat zij geen toestemming geven om aan hun zijde het bouwwerk te voltooien, heeft vergunninghoudster gesteld dat zij zich beroept op artikel 5:56 Burgerlijk Wetboek (ladderrecht) op grond waarvan verzoekers gehouden zijn om medewerking te verlenen om vanaf hun perceel de bouwwerkzaamheden te laten voltooien. Weliswaar hebben verzoekers aangegeven gewichtige redenen te hebben om dit te weigeren omdat zij bezig zijn met de verkoop van hun huis en op grond daarvan van mening zijn dat zij geen medewerking hoeven te verlenen aan het ladderrecht, maar daarover kan de bestuursrechter geen oordeel geven. Het is aan de burgerlijke rechter om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van een dergelijke weigering. De bestuursrechter kan een privaatrechtelijke belemmering enkel betrekken als deze evident is. Vergunninghouder heeft naar voren gebracht dat hij maar drie dagen gebruik zal maken van het ladderrecht. Nu in beginsel sprake is van een recht, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen is aangevoerd geen evidente privaatrechtelijke belemmering die ertoe leidt dat geen uitvoering kan worden gegeven aan de vergunning.
4.14.3.
Verder heeft het college onderzoek gedaan en geconstateerd dat de door verzoekers genoemde diersoorten ter plaatse niet aanwezig zijn zodat dit geen belemmering is die in de weg staat aan de bouwwerkzaamheden.
4.14.4.
Daarnaast mag het college op grond van zijn beleid bij de beoordeling betrekken dat een verleende omgevingsvergunning verouderd kan zijn. Tot intrekking wordt volgens het bestreden besluit enkel overgegaan als sprake is van een dringende reden, omdat een vergunninghouder erop moet kunnen vertrouwen dat een verleende vergunning haar rechtskracht behoudt. Het college ziet in het verouderd zijn van de omgevingsvergunning geen reden tot intrekking omdat het Bouwbesluit 2012 grotendeels integraal is overgeheveld naar het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) en het Bbl nog steeds werkt met het rechtens verkregen niveau als een van de uitgangspunten. De rechtbank kan dit standpunt volgen.
4.15.
Ook de vraag of het bouwwerk nog brandveilig in gebruik kan worden genomen, is een kwestie van handhaving indien dat niet het geval blijkt te zijn.
4.16.
Gelet op de belangenafweging die het college heeft gemaakt en onder de omstandigheden van het geval dat vergunninghoudster de omgevingsvergunning heeft benut door de bouwwerkzaamheden te starten en dat deze ook in volle gang zijn, heeft het in redelijkheid kunnen besluiten dat de belangen van vergunninghoudster doorslaggevend waren. Het college heeft daarom in redelijkheid het verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning kunnen afwijzen.
4.17.
Verzoekers hebben ten slotte gesteld dat zij schade hebben geleden en de verder nog te lijden schade nader zal worden opgemaakt bij staat en dat deze verhaald zal worden op het college en vergunninghoudster. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. Verzoekers hebben hun verzoek niet nader onderbouwd en er is geen sprake van een onrechtmatig besluit. Er is dan ook alleen al daarom geen grondslag voor het vergoeden van schade als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Awb

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het verzoek om voorlopige voorzieningen wijst de voorzieningenrechter af. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verzoekers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft.
5.2.
Verzoekers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

BIJLAGE

Invoeringswet Omgevingswet

§ 4.2.5 Overgangsbepalingen omgevingsvergunningen
Artikel 4.13 (ontheffing en vergunning)
1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit.
2., 3 + 4 (..).

Omgevingswet

Artikel 5.40 (bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning)
1. Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen:
a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,
b. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: als het gaat om het wegnemen of beperken van gevaar, bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is,
c. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.
2. In andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekken:
a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,
b. als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning,
c. op verzoek van de vergunninghouder,
d. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is,
e. voor een milieubelastende activiteit of een wateractiviteit waarvoor met toepassing van artikel 16.7, eerste lid, aanhef en onder b, gecoördineerd omgevingsvergunningen zijn verleend: als de omgevingsvergunning voor de samenhangende wateractiviteit respectievelijk de milieubelastende activiteit is ingetrokken,
f. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.97 (algemene gronden – bevoegdheid tot wijziging voorschriften en intrekking omgevingsvergunning)
1. Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen of een omgevingsvergunning intrekken op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.
3. Het bevoegd gezag geeft alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, als niet kan worden volstaan met wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.

Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen Land van Cuijk 2025

geldend van 11-07-2025 t/m heden
Het college van burgemeester en wethouders kan gelet op het bepaalde in artikel 1:3, vierde lid en de artikelen 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 5.40, tweede lid, aanhef en sub b van de Omgevingswet beleidsregels vaststellen voor het intrekken van omgevingsvergunningen, bijvoorbeeld als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Deze beleidsregel gaat over de invulling van deze bevoegdheid. (..)
Juridisch kader
De grondslag voor de omgevingsvergunning is gelegen in artikel 5.1 van de Omgevingswet.
Een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken op basis van artikel 5.40, tweede lid, aanhef en sub b van de Omgevingswet: als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De termijn van een jaar is een minimale termijn en geldt voor alle omgevings-vergunningen, tenzij in de vergunning zelf een langere termijn is gesteld.
Artikel 2. Intrekking bij uitblijven aanvang activiteiten
1.+2. (..).
3. Wanneer zich geen urgente en/of planologische belangen voordoen en gedurende een termijn van minimaal drie (3) jaar na het onherroepelijk worden van de verleende vergunning geen begin is gemaakt met de vergunde activiteit, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot het intrekken van de omgevingsvergunning.
4. t/m 7. (..).

Artikel 8:88 Awb

1.De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a.een onrechtmatig besluit;
b.een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c.het niet tijdig nemen van een besluit;
d.een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in
artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen Land van Cuijk 2025
3.bijvoorbeeld de uitspraak van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3583 en de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1492.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1825