Deze uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening en een beroep tegen de weigering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk om een omgevingsvergunning in te trekken. Verzoekers, die zich benadeeld voelen door de verleende vergunning, hebben beroep ingesteld omdat zij van mening zijn dat hun belangen onvoldoende zijn meegewogen. De voorzieningenrechter heeft op 21 november 2025 geoordeeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Het college heeft in redelijkheid de belangen van de vergunninghoudster bij het in stand houden van de omgevingsvergunning kunnen laten prevaleren boven de belangen van de verzoekers bij intrekking. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de vergunninghoudster aantoonbaar is gestart met de bouwwerkzaamheden, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen. De voorzieningenrechter heeft ook de procesbelangen van de verzoekers beoordeeld en geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de omgevingsvergunning in te trekken. De uitspraak bevestigt dat de belangenafweging door het college correct is uitgevoerd en dat de verzoekers geen gelijk hebben gekregen in hun beroep.