ECLI:NL:RBOBR:2025:7920

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
25/520, 25/524 en 25/531
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van tijdelijke flexwoningen in Oss

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in de zaken met betrekking tot de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van 39 tijdelijke flexwoningen aan de Meidoornlaan in Oss. De rechtbank heeft de beroepen van een stichting en een aantal omwonenden niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet als belanghebbenden zijn aangemerkt. De overige beroepen zijn ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er een alternatieve locatie voorhanden is en dat de jaarlijkse paddentrek in het gebied de uitvoerbaarheid van het bouwplan niet in de weg staat. De beroepsgrond tegen de Bomeneffectanalyse werd als onvoldoende onderbouwd beschouwd. De rechtbank concludeerde dat voldaan wordt aan de parkeernorm en dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. De uitspraak bevestigt dat de omgevingsvergunning in stand blijft, en dat de eisers geen gelijk krijgen in hun bezwaren.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/520
SHE 25/524
SHE 25/531

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaken tussen

(SHE 25/520)1. [eiser 1] . [eiser 2]

3. [eiser 3]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]

6. [eiser 6]
7. [eiser 7]

8. [eiser 8]

9. [eiser 9]

10. [eiser 10]

11. [eiser 11]

12. [eiser 12]

13. [eiser 13]

14. [eiser 14]

15. [eiser 15]

16. [eiser 16]

17. [eiser 17]

18. [eiser 18]

19. [eiser 19]

20. [eiser 20]

21. [eiser 21]

22. [eiser 22]

23. [eiser 23]

24. [eiser 24]

25. [eiser 25]

26. [eiser 26]

27. [eiser 27]

28. [eiser 28]

29. [eiser 29]30. [eiser 30]

31. [eiser 31]

allen uit [woonplaats] , eisers,
(SHE 25/531)
32. [eiseres 32]uit [woonplaats] ,
eiseres,
(SHE 25/524)
33. [eiseres 33],
uit [vestigingsplaats] , eiseres
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, het college

(gemachtigden: [naam] en [naam] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[naam]uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van 39 tijdelijke flexwoningen aan de Meidoornlaan [nummers] in Oss. Eisers 1 tot en met 4, 6 tot en met 8, 12, 14 en 15, 20, 22 tot en met 29, 31 en 33 zijn het er niet mee eens dat het college hun bezwaren in het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het college hen niet als belanghebbenden bij de verleende omgevingsvergunning heeft aangemerkt. De overige eisers die het college wel ontvankelijk heeft verklaard en een aantal eisers dat geen bezwaar heeft ingesteld, zijn het er niet mee eens dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers 10, 13, 18, 21 en 30 niet ontvankelijk zijn, omdat zij geen bezwaar hebben ingesteld. Het college heeft voorts eisers 1 tot en met 4, 6 tot en met 8, 12, 14 en 15, 20, 22 tot en met 29, 31 en 33 terecht niet-ontvankelijk verklaard, zodat hun beroep ongegrond is. Voor het overige heeft het college het bezwaar in het geval van de ontvankelijke beroepen terecht ongegrond heeft verklaard.
1.2.
Eisers krijgen dus geen gelijk en hun beroepen zijn dus ongegrond, althans niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 januari 2025 op het bezwaar van eisers 1 tot en met 4, 6 tot en met 8, 12, 14 en 15, 20, 22 tot en met 29, 31 en 33 heeft het college deze eisers niet-ontvankelijk verklaard, en de beroepen van de overige eisers, voor zover die bezwaar hebben ingesteld, ongegrond verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 1, 2 en 32, [naam] namens eiseres 33, de gemachtigden van het college en namens vergunninghoudster projectontwikkelaar [naam] en projectleider [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
5. Op 22 december 2023 heeft vergunninghoudster bij het college een aanvraag ingediend voor de realisatie van 39 flexwoningen (twee- en drie-kamerappartementen) op een perceel gelegen in het gebied gelegen tussen de Nieuwe Hescheweg, Julianasingel, Meidoornlaan en Bremlaan, in het zuiden van Oss, in de buurt Hazenakker, ten westen van de Hazenakkervijver. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Oss, sectie B, nummer 6000 (ged.). Momenteel is het perceel in gebruik als groenvoorziening en speelveldje. De oppervlakte van het projectgebied bedraagt ongeveer 4.200 m². De flexwoningen zijn verdeeld over twee bouwblokken bestaande uit drie bouwlagen en worden geplaatst voor een periode van maximaal 15 jaar. Verder worden er parkeerplaatsen en bergingen gerealiseerd. De gebouwen en parkeerterreinen worden op de Meidoornlaan ontsloten.
Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten:
- bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo);
- gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo).
Omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan “Zuid-Oss 2010” (het bestemmingsplan) en de bestemming “Groen”, heeft het college met toepassing artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, het bouwplan vergund. Op het project is artikel 6 van het Besluit uitvoering Crisis-en herstelwet van toepassing op basis van de 13e tranche van de regeling uitvoering Crisis en herstelwet. Daarom is de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd.
5.1.
Tegen de verlening van de omgevingsvergunning is bezwaar gemaakt. Eiser 1 tot en met 31 en eiseres 32 hebben verzoeken om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank ingediend die door de rechtbank zijn geregistreerd onder de zaaknummers SHE 25/518 en SHE 25/552. In zijn uitspraak van 20 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken afgewezen.
Ontvankelijkheid; geen bezwaar ingediend door eisers 10, 13, 18, 21 en 30
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers 10, 13, 18, 21, en 30 geen bezwaar hebben gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Eisers hebben dat niet bestreden.
6.1.
Uit artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een belanghebbende, voordat hij beroep tegen een besluit kan instellen bij de bestuursrechter, eerst bezwaar moet maken tegen dat besluit. Dit is alleen anders als sprake is van één van de in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb genoemde uitzonderingen. Geen van die uitzonderingen doet zich hier voor. Dit betekent dat eisers 10, 13, 18, 21 en 30 eerst de bezwaarfase hadden moeten doorlopen. De rechtbank zal daarom hun beroepen niet-ontvankelijk verklaren.
Ontvankelijkheid eisers 1 tot en met 4, 6 tot en met 8, 12, 14, 15, 20, 22 tot en met 29 en 31 (eisers); geen belanghebbenden bij het bestreden besluit
7. Het college heeft het bezwaar van eisers 1 tot en met 4, 6 tot en met 8, 12, 14, 15, 20, 22 tot en met 29 en 31 in het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij volgens het college geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. In zijn verweerschrift onderbouwt het college zijn standpunt als volgt:
- eisers 2, 3, 12, 14 en 15 hebben geen zicht op de flexwoningen door de oriëntering van hun woningen aan de Bremlaan ten zuiden daarvan, terwijl de afstand van hun woningen tot de flexwoningen varieert van 175 meter tot 260 meter. Het verkeer gaat op de Meidoornlaan richting het noorden; slechts 5% van de toename als gevolg van het bouwplan zal over de Bremlaan rijden. Bovendien bestaat de toegang tot de flexwoningen uit een ‘hofje’, een zijstraat van de Bremlaan onder dezelfde naam, waardoor er geen sprake kan zijn van gevolgen van stromen van verkeer van andere bewoners dan van de bewoners van dit hofje.
- eisers 7 en 8 wonen aan de Bremlaan op een afstand tot aan de zuidoostkant van de projectlocatie van 290 meter tot 320 meter. Hiertussen bevindt zich de Hazenakkervijver met het omliggende park/groenstrook, waardoor zij geen zicht hebben op de flexwoningen. Zij ondervinden ook geen gevolgen door extra verkeer van de flexwoningen.
- eisers 6 en 31 wonen in de Jasmijnlaan ten oosten van de flexwoningen. De afstand tussen hun woningen en de flexwoningen is 145 meter en daartussen bevinden zich de Meidoornlaan, de Hazenakkervijver met omliggende wandelpaden en de Jasmijnlaan. Hun zicht wordt beperkt door het riet, de wilgen en eikenbomen en - aan de overzijde van het water - door het groen aan de oevers. Door de situering aan de oostkant van de vijver is het niet waarschijnlijk dat zij gevolgen ondervinden van extra verkeer of parkeren.
- eisers 4 en 29 wonen aan de Hazelaarlaan aan de oostzijde van de Hazenakkervijver. De achterzijde van hun woningen grenst aan het park. De oever van de vijver bestaat hier uit een klinkerpad van ca. vier meter breed. De afstanden tot aan de flexwoningen lopen uiteen van 175 tot 205 meter. Tussen de flexwoningen aan de westzijde van de Hazenakkervijver en hun woningen bevinden zich de Meidoornlaan, wandelpaden, de Hazenakkervijver en een wandelpad met verblijfruimte. Verkeersbewegingen en gevolgen van parkerende auto’s als gevolg van het bouwplan zijn er niet.
- eisers 1, 20 en 22 t/m 28 wonen in een andere wijk ten westen van projectlocatie en van de Hescheweg op een afstand van 105 meter tot 125 meter. Zij hebben door tussenliggende bomen en bosschages beperkt zicht op de flexwoningen. Tussen de woningen en de projectlocatie lopen de Hescheweg en de Nieuwe Hescheweg waartussen een groenstrook loopt van ongeveer 35 meter breed. Hun woningen ontsluiten op de Hescheweg; de Nieuwe Hescheweg is een gebiedsontsluitingsweg. De verkeersafwikkeling gaat niet over de Hescheweg en daarop is geen toename van verkeer te verwachten en ook niet op de
de Hescheweg (parallelweg van de Nieuwe Hescheweg) waar eisers wonen.
7.1.
Volgens eisers kijken de eisers die de parkwoningen aan de Bremlaan bewonen, vanuit de woonkamer direct het park in, dat slechts 2 tot 5 meter van hun woningen ligt. De flexwoningen in het park voelen als een bedreiging van privacy en geven een gevoel van onveiligheid. De rijen oude eikenbomen worden gesnoeid, wat het zicht op de flexwoningen en ook de kans op schijnen van autolichten in de woningen zal doen toenemen. De eisers die woonachtig zijn aan de Hescheweg, wonen hemelsbreed slechts op 100 meter van de flexwoningen en kijken recht vanuit hun woningen hierop uit. Ook is er voor hen het risico op weerkaatsend geluid. Datzelfde geldt voor de bewoners van de Jasmijnlaan, en voor hen geldt ook nog dat vanuit de balkons van de flexwoningen aan de zijde van de Hazenakkervijver, overlast voor hen kan worden veroorzaakt. De bewoners van de Bremlaan zijn volgens eisers belanghebbenden gezien de toenemende verkeersdrukte op de Meidoornlaan en dit geldt ook voor de bewoners van Hazelaarlaan. Tenslotte wijzen eisers erop dat zij veel gebruik maken van het park en het park zal niet meer de mooie onbebouwde rustige plek zijn als de flexwoningen worden gebouwd. Daardoor zal de realisering van de flexwoningen in het park grote gevolgen voor de leefomgeving van alle eisers. Voor alle eisers geldt dat het park dat een belangrijke functie heeft, ingrijpend verandert. Ook de planologische uitstraling en de fysieke leefomgeving veranderen en vanuit die aspecten zijn alle eisers belanghebbend. Het park c.q. de rustige mooie omgeving geldt als een reden voor eisers om daar te willen wonen. Eisers verwijzen naar de Visie Openbare Ruimte van de gemeente, par 6.7 en 6.8, waarin staat: "Gecultiveerde karakter Hazenakkervijver omvormen naar een natuurlijker karakter. Dit aansluitend op de boslob." Eisers wijzen op het ecologische belang van het park, waar strandjes en lage oevers bewust zijn aangelegd om fauna zoals padden aan te trekken.
7.2.
Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt een heroverweging van het bestreden besluit plaats, indien het bezwaar ontvankelijk is. Alleen een belanghebbende kan op grond van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van de Awb een ontvankelijk bezwaar indienen. De rechtbank zal daarom hierna de vraag beantwoorden of eisers als belanghebbenden kunnen worden gekwalificeerd en wat de consequenties zijn van het antwoord op die vraag.
7.2.1.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: “Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken”. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat als belanghebbende bij een ruimtelijk besluit wordt aangemerkt, degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. [1]
Voor het vaststellen van de feitelijke gevolgen van de activiteit, is zicht niet de enige omstandigheid die daarbij moet worden betrokken. [2] Ook andere omstandigheden zijn daarbij van belang, zoals de effecten die de activiteit kan hebben voor het woon- en leefklimaat van eisers. Daarbij kunnen ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen van de vergunde activiteit van belang zijn.
7.2.2.
De rechtbank stelt op basis van de stukken, waaronder de door het college bij zijn verweerschrift gevoegde luchtfoto’s, vast dat de afstand tussen de woningen van eisers (hier bedoeld: eisers 1 tot en met 4, 6 tot en met 8, 12, 14, 15, 20, 22 tot en met 29 en 31) en de vergunde flexwoningen in alle gevallen in ieder geval meer dan 100 meter bedraagt. Voorts volgt uit de door het college overgelegde foto’s dat, voor zover deze eisers al zicht hebben op het bouwplan, dat zicht in ieder geval zeer beperkt is, als gevolg van de grote afstand van hun woningen tot de flexwoningen maar ook door tussenliggende bomen en bosschages. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet voldaan wordt aan het afstands- en zichtcriterium. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verkeersbewegingen vanwege de activiteiten op de locatie van de flexwoningen zal leiden tot verkeers- en parkeerhinder in de straten waar eisers wonen. Daarbij is van belang dat de flexwoningen en parkeerterreinen op de Meidoornlaan ontsloten worden. In de ruimtelijke onderbouwing is de verkeersafwikkeling beoordeeld met behulp van navigatiesoftware, waarmee ook is bepaald via welke wegen het verkeer vanaf de flexwoningen wordt afgewikkeld over het omliggende wegennet. Daarbij is gebleken dat het meeste verkeer naar de Julianalaan (95%) zal rijden in noordelijke richting, over een deel van de Meidoornlaan waar zich geen woningen bevinden. De rechtbank acht de conclusies over de verkeersafwikkeling aannemelijk, en neemt daarbij in aanmerking dat eisers dit uitgangspunt niet hebben bestreden met een eigen verkeerskundig rapport c.q. een contra-expertise. De rechtbank kan het college dan ook volgen in zijn standpunt dat eisers niet of betrekkelijk weinig overlast zullen ervaren van de extra verkeersbewegingen die de vergunde flexwoningen met zich zullen brengen. Die extra verkeersbewegingen zijn naar het oordeel van de rechtbank in elk geval geen gevolgen van enige betekenis als hiervoor onder rechtsoverweging 7.2.1. bedoeld. Dat een aantal van de eisers zich betrokken voelt bij het park en daar gebruik van maakt, onderscheidt hen niet voldoende van anderen die het park gebruiken om te kunnen spreken van een persoonlijk belang.
7.2.3.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers geen belanghebbenden zijn. Het college heeft hen terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hun beroepen zijn ongegrond.
Ontvankelijkheid eiseres 33
8. Het college heeft het bezwaar van eiseres 33 (eiseres) niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij volgens het college geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, gezien haar doelstellingen die in de statuten benoemd zijn. In artikel 2, onder d. van de statuten wordt gesproken over “het bij elkaar brengen van mensen om voor een groene en gezonde leefomgeving, maatschappij en economie te gaan.” Volgens het college is dit niet op één lijn te stellen met het opkomen voor een groene leefomgeving in algemene zin en daarmee het opkomen voor het behoud van het aanwezige groen in Oss. De nadruk ligt op “het hij elkaar brengen van mensen”, maar niet op het behoud van groen. De bijzin “en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn” kan niet zo ruim worden uitgelegd dat daarin een belang voor eiseres is gelegen. In zijn verweerschrift verwijst het college naar de website van eiseres waaruit blijkt dat zij meer stadslandbouw in Oss en de kernen wil. Ook uit de activiteiten die eiseres heeft ontplooid, blijkt ook dat ze zich inzet voor meer stadslandbouw. Hiervoor zijn de flexwoningen niet in beeld en zij heeft geen andere activiteiten ontplooid waaruit een (ander) belang blijkt. Uit de stukken blijkt dat eiseres zich inzet voor het behoud van bomen en dat zij participeert in verschillende beleidsdocumenten. Bomen worden op de projectlocatie echter allemaal duurzaam behouden. Inwoners van Oss mogen participeren bij het opstellen van beleidsdocumenten.
8.1.
Eiseres voert daartegen aan dat het college ten onrechte een deel van een doelstelling in de statuten buiten beschouwing heeft gelaten, namelijk de bijzin van doelstelling d. “en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn”. Juist die laatste zin omvat volgens haar de brede feitelijke werkzaamheden van eiseres. Bij haar beeldvorming - in de beleving van eiseres maar ook naar buitenstaanders toe en op sociale media - ligt het accent op het behoud en versterken van de groene leefomgeving in Oss. Eiseres wijst in dit verband op de subtitel van haar naam in haar logo (“Bouwen aan leefbaarheid”). Zoals tijdens de zitting bij de hoorcommissie desgevraagd aan de orde is gekomen wordt eiseres veelvuldig als één van de “groene” belangenpartijen in Oss gevraagd om aan te sluiten bij beleidsvoorbereidend overleg, advies te geven en mee te denken. De hoorcommissie concludeerde toen al dat deze uitvoerige deelname aan dergelijke overleggen wel degelijk juridisch relevant is. Eiseres verwijst naar de notulen, of de geluidsopnames van de hoorzitting. Ter ondersteuning hiervan heeft eiseres bij haar beroepschrift een overzicht van e-mails/contacten met ambtelijke vertegenwoordigers van gemeente Oss gevoegd en haar jaarverslag 2023-2024. Eiseres verzoekt de rechtbank haar beroep gegrond te verklaren en haar bezwaarschrift inhoudelijk te wegen, met name de bezwaargronden betreffende onbehoorlijk bestuur en het belang van de vergeten paddentrekroute op de plek van het plangebied. In het Actieplan Groen en Klimaat Robuust Oss bepleit de gemeente Oss zelf dat het koesteren van bestaand groen uitgangspunt bij beleid moet zijn. In 2024 speelde in Oss een vergelijkbare situatie met voorgenomen woningbouw in het Sibelius park, dat na reuring in diverse media en hevige protesten van bewoners en van eiseres 33 door de raad is geschrapt. Verder is de projectlocatie een voortplantingslocatie voor diverse amfibiesoorten. Vele duizenden individuen van vooral de bruine pad trekken naar de Hazenakkervijver. Juist de flexwoningen liggen midden in het voor Oss belangrijke, intensief gebruikte, maar zeer kwetsbare paddentrekgebied. De gemeente Oss heeft voor de paddentrek allerlei maatregelen getroffen en er is een paddenwerkgroep, die vorig jaar ongeveer 6.000 padden heeft overgezet met inzet van vrijwilligers en behulp van gemeentelijke middelen.
8.2.
Op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
8.2.1.
Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis [3] veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken. [4]
8.2.2.
Het belang dat eiseres op grond van artikel 2 van haar statuten stelt te behartigen is:
“a. stadslandbouw-activiteiten zoals buurttuinen verbinden met kennis, ideeën en -
ontwikkelingen op andere gebieden
b. het stimuleren van meer stadslandbouw in Oss en de kernen;
c. het stimuleren van samenwerking tussen mensen die bewust bezig willen zijn - met voedsel, zorg, scholing, sociale activiteiten, wonen, groen, kunst, cultuur - en milieu;
d. het bij elkaar brengen van mensen om voor een groene en gezonde leefomgeving, maatschappij en economie te gaan, en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.
Tot dit doel behoort niet het doen van uitkeringen aan de oprichter of aan hen die deel uitmaken van organen van de stichting.”
8.2.3.
Naast deze algemene statutaire doelstellingen van eiseres is, om te kunnen bepalen of haar belang rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, relevant of de eiseres met het oog op de behartiging van haar doelstelling feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Het moet daarbij gaan om werkzaamheden die los staan van het voeren van juridische procedures of de voorbereiding daarvan. [5] Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen [6] , dient de statutaire doelstelling van een rechtspersoon voldoende onderscheidend te zijn om op grond daarvan te kunnen oordelen dat er sprake is van een rechtstreeks belang bij het aangevochten besluit.
8.3.
De rechtbank overweegt dat de hiervoor weergegeven doelstelling onder d. “het bij elkaar brengen van mensen om voor een groene en gezonde leefomgeving, maatschappij en economie te gaan, en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn” een functioneel ruime doelstelling is die niet voldoende is beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze doelstelling van eiseres op deze wijze teveel omvattend en ook overigens onvoldoende territoriaal begrensd om op grond daarvan te oordelen dat er sprake is van een rechtstreeks belang van eiseres bij het bestreden besluit. Dat in het bezwaar tegen het besluit over de omgevingsvergunning door eiseres wellicht wel heel specifieke gronden zijn ingediend, maakt het niet anders, omdat zij op deze wijze haar doelstelling niet kan beperken.
8.3.1.
Er is dan ook niet voldaan aan één van de cumulatieve voorwaarden zoals die volgen uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Aan beoordeling van de feitelijke werkzaamheden van eiseres komt de rechtbank dan ook niet toe. Het college heeft eiseres terecht niet aangemerkt als belanghebbende. Haar beroep is ongegrond. De rechtbank bespreekt de beroepsgronden die eiseres 33 heeft aangevoerd daarom niet inhoudelijk.
Beroepsgronden overige eisers 5, 9, 11, 16, 17, 19 en 32 (eisers)
9. De rechtbank stelt voorop dat het college beleidsruimte toekomt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, zoals hier aan de orde is. Het college moet daarbij de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Locatiekeuze
10. Eisers voeren aan dat door hen in het geding gebrachte, met een Wet open overheid-verzoek opgevraagde documenten geen enkele onderbouwing bevatten waarom de locatie voor deze flexwoningen geschikt zou zijn voor woningbouw. Waar daarin bij andere locaties die zijn afgevallen nog een argumentatie is vermeld, staat bij deze locatie alleen maar “Prima locatie, voor tijdelijke en permanente woningbouw.” Verder onderzoek naar belemmeringen ontbreekt. Bij een goed vooronderzoek zou deze locatie zijn afgevallen gezien de belangrijke groenstructuur, het belangrijke groen voor de buurt, en de aanwezige bomen. Volgens eisers zijn er geschiktere locaties zijn voor woningbouw. Aan de noordkant van Oss is een locatie beschikbaar waar de gemeente reeds grote stukken grond heeft opgekocht voor toekomstige woningbouw, die voorlopig niet bebouwd gaan worden.
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college gehouden is om te beslissen op het bouwplan zoals dat is ingediend. De rechtbank overweegt verder dat volgens vaste jurisprudentie [7] als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. In de ruimtelijke onderbouwing “Tijdelijke woningen Meidoornlaan, Oss” van 2 mei 2024 die deel uitmaakt van de aanvraag, is aangegeven waarom deze locatie aantrekkelijk is voor woningbouwontwikkeling. Daarin wordt vermeld dat de locatie binnen de kern Oss ligt, waarmee de woningen hier worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en er sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Van dat laatste is sprake, omdat het plangebied kan worden aangesloten op de reeds bestaande structuren. Verder heeft het college aangegeven dat het voor de locatie heeft gekozen, omdat de gemeente Oss eigenaar van de grond is en een andere eigendomssituatie het bouwplan financieel niet haalbaar zou maken. Eisers hebben wel aangegeven dat er in Oss geschiktere locaties zijn voor woningbouw, maar zij hebben geen concreet gelijkwaardig alternatief genoemd. Eisers hebben dus ook niet aannemelijk genaakt dat er een alternatief voorhanden is waarvan op voorhand duidelijk is dat daartegen aanmerkelijk minder bezwaren zullen bestaan.
De beroepsgrond kan niet slagen.
Wet natuurbescherming (Wnb) en de quickscan [8]
11. Eisers voeren tegen het bestreden besluit aan dat de quickscan uitgaat van verkeerde uitgangspunten. Volgens eisers is het onderzochte gebied kleiner dan het projectgebied. Verder staat in de quickscan dat het gebied geen onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland, wat volgens eisers onjuist is. In de Visie Openbare ruimte van de gemeente Oss wordt de Hazenakker heel duidelijk benoemd als boslob, met een grote ecologische verbinding met het buitengebied. Dit buitengebied betreft het Natuurnetwerk Nederland, en daarmee staat het projectgebied in verbinding. Verder moet er onderzoek worden gedaan naar vleermuizen. Er huist namelijk een vleermuizenkolonie in het appartementencomplex aan de Bremlaan. Niet alle grote bomen zullen behouden kunnen blijven. Dit heeft potentieel invloed op vliegroutes van de vleermuizen. Ook wordt de Hazenakkervijver gebruikt door padden. Naar deze vijver komen jaarlijks duizenden padden en ook overige amfibieën toe om voort te planten. Dit paddentrekgebied is vastgesteld en terug te vinden op www.padden.nu. Het realiseren van de flexwoningen zal zorgen voor een grote toename aan verkeer en mobiliteit, waardoor tijdens de paddentrek heel veel padden zullen worden doodgereden.
11.1.
Het college verwijst in zijn verweerschrift naar rechtsoverweging 10 van de uitspraak van de voorzieningenrechter. In aanvulling daarop merkt het college in zijn verweerschrift op dat het contact heeft gezocht met Paddenwerkgroep Hazenakkervijver Oss Zuid om informatie op te halen en af te stemmen. Het college geeft aan op welke wijze rekening zal worden gehouden met de paddentrek en welke methoden en maatregelen (tijdens de bouw) zullen worden getroffen.
11.2.
De rechtbank overweegt dat in een geval als dit, waarin de aanvraag om een omgevingsvergunning niet ook betrekking heeft op een eventueel benodigde ontheffing op grond van de Wnb, geldt dat de vragen of voor de uitvoering van een project ontheffingen nodig zijn op grond van de Wnb, en zo ja, of deze ontheffingen kunnen worden verleend, aan de orde komen in een procedure op grond van de Wnb. Dit doet er niet aan af dat het college geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan had mogen verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten onderkennen dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg stond. [9]
11.2.1.
De rechtbank stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing - voor het onderzoek of er op de locatie diersoorten (en ook planten, gebieden of houtopstanden) aanwezig zijn die op grond van de Wnb beschermd zijn en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de bouw van de flexwoningen - wordt verwezen naar de quickscan. Het college heeft zich bij de verlening van de omgevingsvergunning op de quickscan mogen baseren. De rechtbank overweegt dat eisers geen concrete aanknopingspunten hebben aangevoerd voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de bevindingen en conclusies van de quickscan. Net als de voorzieningenrechter kan de rechtbank eisers niet volgen in hun standpunt dat de quickscan van verkeerde uitgangspunten uitgaat. In de quickscan is onderzoek verricht naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten binnen het bouwplan én in de directe omgeving daarvan. Aan de quickscan is zowel bureauonderzoek als veldonderzoek ten grondslag gelegd. De conclusie van de quickscan is dat aanvullend onderzoek niet nodig is en dat de vergunde activiteiten niet in strijd zijn met de Wnb, mits wordt gewerkt conform een ecologisch werkprotocol en verstoring van een vliegroute van vleermuizen door verlichting wordt voorkomen.
11.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de quickscan heeft kunnen concluderen dat geen Wnb-ontheffing nodig is voor vleermuizen. Wat eisers naar voren hebben gebracht geeft geen aanleiding om aan de juistheid van die conclusie te twijfelen. De enkele stelling van eisers dat er een vleermuizenkolonie in het appartementencomplex aan de Bremlaan huist, en dat er vleermuizen op de locatie vliegen en/of foerageren is daarvoor onvoldoende. Daarbij is van belang dat een Wnb-ontheffing alleen vereist is bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. De aantasting van essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes die niet samenvallen met vaste rust- of verblijfplaatsen, valt volgens vaste rechtspraak alleen onder het verbod van artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb als daardoor de functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen wordt aangetast. [10] Volgens de quickscan (p.10) is in dit geval geen sprake van een essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute. Eisers hebben niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat dat onjuist is.
11.2.3.
Voor wat betreft de jaarlijkse paddentrek in het gebied, is niet op voorhand aannemelijk dat die aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is een Wnb-ontheffing alleen vereist bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen (en dus ook voorplantingsplaatsen), en niet ten behoeve van de trekroute van beschermde diersoorten. Tussen partijen is niet in geschil dat de naast de flexwoningen gelegen Hazenakkervijver door padden wordt gebruikt als voorplantingsplaats. Zoals de voorzieningenrechter in zijn uitspraak heeft overwogen, heeft het bouwplan echter geen gevolgen voor de Hazenakkervijver, die ongewijzigd behouden blijft, ook als voortplantingsplaats, zodat een eventueel negatief effect van het bouwplan op de paddentrek geen overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb kan opleveren.
11.2.4.
Verder is in de quickscan vastgesteld dat volgens verspreidingsgegevens van RAVON en de NDFF binnen enkele kilometers rondom de locatie een aantal streng beschermde soorten zijn waargenomen (alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad). De aanwezigheid van de heikikker en knoflookpad op de locatie is uit te sluiten. Voor de alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker kan de Hazenakkervijver voortplantingsmogelijkheden bieden, waardoor sporadisch een zwervend individu van de betreffende soorten op de locatie van de flexwoningen kan worden aangetroffen, maar op de locatie zelf is geen geschikt landhabitat aanwezig door de openheid in combinatie met het ontbreken van schuilmogelijkheden. Datzelfde geldt voor algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
11.2.5.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich op voorhand op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb niet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. De rechtbank acht aanvullend onderzoek naar gevolgen voor beschermde diersoorten dan ook niet noodzakelijk.
De beroepsgronden die eisers in dit kader hebben aangevoerd, kunnen niet slagen.
Bomeneffectanalyse (BEA)
12. Eisers voeren tegen het bestreden besluit aan dat daaruit volgt dat er geen infiltratiekratten meer worden gebruikt, maar dat onder de bestrating een waterbergende laag wordt aangebracht. Hierdoor moet er dieper worden gegraven binnen de kwetsbare boomzone. Dit zal grote nadelige gevolgen hebben voor de overlevingskansen van deze bomen. Hiermee is geen rekening gehouden in de uitgevoerde BEA. Ook is de ondergrondse container niet meegenomen in de BEA. Het behoud van bomen is steeds het uitgangspunt geweest voor de flexwoningplannen. Volgens eisers moet daarom een nieuwe BEA worden uitgevoerd.
12.1.
Het college verwijst in zijn verweerschrift naar rechtsoverweging 8 van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Daarin wordt verwezen naar de verklaring van het college ter zitting er geen infiltratiekratten meer worden gebruikt, maar in plaats daarvan een normaal pakket met waterberging wordt aangelegd, waarin de wortels hun natuurlijke weg vinden. Verder heeft het college voorwaarden in de vergunning opgenomen over het uitvoeren van werkzaamheden bij bomen. Naar aanleiding van het advies van Commissie Bezwaarschriften dat een fout is gemaakt bij de berekening van de capaciteit van de infiltratievoorzieningen, heeft het college opnieuw naar de infiltratievoorzieningen gekeken. In het bestreden besluit heeft het college aangegeven dat het geen gebruik gaat maken van infiltratiekratten en/of een wadi. Het college heeft berekend dat de waterberging (voor 1681 m² verharding) een inhoud van 100,9 m3 moet zijn. Onder de bestrating wordt een waterbergende laag aangebracht van 25 cm dik, wat een waterberging oplevert van 102,6 m3, dus meer dan nodig is. Het college acht de berging voldoende om de infiltratie ter plekke te garanderen.
12.2.
Met het bestreden besluit heeft het college de volgende uitvoeringsvoorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden:

Tijdens al het werk voor het bouwplan moet de uitvoerder denken aan de bomen. In de Boom Effect Analyse staan adviezen hierover. Dit betekent dat:
• Boomkronen moet je afzetten met fysieke afscherming zoals bouwhekken of gaas. Waar zo'n afscherming niet mogelijk is, moet je stamommanteling gebruiken;
• Binnen de kwetsbare boomzone mag je alleen werken met licht materieel (<1500 kg). Of met druk verdelende platen om verdichting te voorkomen.
• Vrijgekomen grond moetje buiten de kroonprojectie houden of binnen 48 uur verwijderen.
• Binnen de kwetsbare boomzone moet je met de hand voorsteken, wortels dikker dan 2,5 cm moet je haaks afzetten. Wortels dikker dan 5 cm mag je niet afzetten zonder overleg met boomtechnisch toezichthouder.
12.2.1.
In de BEA zijn in totaal 34 bomen geïnventariseerd, die - op één na - in een redelijk tot goede conditie verkeren. Na een uitvoerig onderzoek wordt in paragraaf 5.1.2 (Effectenanalyse) geconcludeerd dat de geplande ondergrondse en bovengrondse werkzaamheden over het algemeen beperkte invloed hebben en dat alle bomen duurzaam behouden kunnen blijven wanneer er zorgvuldig gewerkt wordt rondom de bomen, met uitzondering van die ene boom. Om die boom duurzaam in stand te kunnen houden, is het stedenbouwkundig plan voor wat betreft de positionering van twee parkeerplaatsen aangepast.
12.2.2.
De rechtbank overweegt dat de capaciteit van de infiltratievoorzieningen met name wordt berekend in verband met de afvoer van regenwater uit het projectgebied en het voorkomen van wateroverlast voor de toekomstige bewoners van de flexwoningen. Hierbij gaat het om een belang waarop eisers zich niet kunnen beroepen, omdat artikel 8:69a van de Awb staat in de weg aan een inhoudelijke behoordeling van deze beroepsgrond. Eisers betogen dat de waterbergende laag die onder de bestrating wordt aangebracht nadelige gevolgen heeft voor de overlevingskansen van deze bomen.
12.2.3.
De rechtbank overweegt dat eisers deze stelling niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken of onderzoeken hebben onderbouwd. Uit de BEA blijkt dat een bewortelingsonderzoek is verricht, waaruit volgt dat gezien de afstand van de werkzaamheden tot de bomen mag worden verwacht dat de ondergrondse werkzaamheden beperkte invloed hebben op de bomen. De parkeervakken A, B en D die het dichtst zijn gepland bij de bomen, hebben ondergronds beperkte invloed op de bomen. Ook ondervinden de bomen ondergronds van de bouw van flexwoning B beperkte invloed, terwijl ondergronds geen intensieve beworteling is aangetroffen ter hoogte van
flexwoning A. De bergingen staan op ca. 15 m van de bomen waardoor ondergronds slechts beperkte invloed wordt verwacht. De uitvoering van het bouwplan met inachtneming van de BEA zal worden uitgevoerd, wordt gewaarborgd door het voorschrift van de omgevingsvergunning dat voorschrijft dat de activiteit in overeenstemming met de aanvraag en daarbij behorende gegevens (waaronder de ruimtelijke onderbouwing) moet worden uitgevoerd. Verder acht de rechtbank de uitvoeringsvoorwaarden afdoende om duurzaam behoud van de bomen rondom het bouwplan te waarborgen. Dat de waterbergende laag onder de bestrating nadelige gevolgen zal hebben voor de bomen acht de rechtbank niet aannemelijk, zeker omdat eisers hun eigen stelling daarover niet nader hebben onderbouwd. De beroepsgrond kan niet slagen.
Ruimtelijke inpassing/parkeren/verkeerssituatie/wateroverlast/lage ligging
13. Eisers voeren aan dat de experimentele parkeernorm van 0,85 parkeerplaatsen per woning onvoldoende is. Het college houdt rekening met zes extra parkeerplaatsen mocht blijken dat de norm te laag is, maar voor die extra parkeerplaatsen is geen ruimte. Het gevolg zal volgens eisers zijn dat er aan de Meidoornlaan zal worden geparkeerd. Daar staan nu al regelmatig auto's van mensen die komen recreëren in het park. De krappe parkeernorm zal leiden tot aanzienlijk meer parkeren aan de Meidoornlaan en daarmee tot gevaarlijke situaties. Het gedeelte van de Meidoornlaan waar de toegang van terrein voor flexwoningen zou moeten komen ligt op het laagste punt van de Meidoornlaan. Op die plek verzamelt zich al het water uit de omgeving. Dit leidt tot ongewenste en gevaarlijke situaties op de Meidoornlaan bij toenemend verkeer en parkeren langs de weg.
13.1.
Zoals de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 9 van zijn uitspraak heeft overwogen, geldt op grond van de “Nota Parkeernormen Oss 2023” een parkeernorm van 0,85 parkeerplaatsen per woning, wat eisers op zichzelf niet hebben bestreden. Ook is niet in geschil dat met het bouwplan - dat uitgaat van de realisering van 34 parkeerplaatsen - wordt voldaan aan deze parkeernorm en dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Dat er ongewenste en gevaarlijke situaties op de Meidoornlaan bij toenemend verkeer en parkeren langs de weg, hebben eisers verder niet onderbouwd met (verkeerskundige) rapportages en acht de rechtbank overigens ook niet aannemelijk.
De beroepsgrond kan niet slagen.
Geluid/akoestisch onderzoek
14. Eisers voeren aan dat niet is aangetoond dat er geen cumulatie plaatsvindt wanneer 39 warmtepompen aan staan. Ondanks dat er geen berekening is toegevoegd kan wel worden gesteld dat er wel degelijk een slechter woon- en leefklimaat voor omwonenden zal plaatsvinden, aangezien warmtepompen (airco's) veel dB's produceren.
14.1.
In artikel 3.8, tweede lid, en 3.9, derde lid van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan buiten opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking (dus ook warmtepompen/airco's), onder meer dat op de perceelsgrens het geluidniveau niet meer mag bedragen dan 40 dB(A). De rechtbank acht het aannemelijk dat hieraan voldaan wordt. Gezien de afstand tot de bestaande woningen van eisers (tenminste 85 meter) is er eveneens geen relevant effect te verwachten van de warmtepompen bij de flexwoningen. Het college mocht er vanuit gaan dat de enkelvoudige geluidbelasting van een warmtepomp/airco beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau, het niveau uit het Bouwbesluit 2012. De warmtepompen/airco’s waarvan de buitenunits op de daken van de flexwoningen worden geplaatst, zijn uitsluitend voor het eigen gebruik van de 39 flexwoningen. Volgens jurisprudentie van de Afdeling [11] mag het college er in beginsel vanuit gaan dat het voldoen aan de enkelvoudige norm zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 ook betekent dat zich geen onaanvaardbare cumulatieve geluidhinder zal voordoen. Dat kan anders zijn wanneer zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan in een concreet geval reden bestaat om aan dat uitgangspunt te twijfelen. In dit geval doet zich niet zo’n bijzondere omstandigheid voor.
De beroepsgrond kan niet slagen.
Aerius-berekening
15. Eisers voeren aan dat de Aerius-berekening onvolledig is, omdat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet alle gegevens zijn toegevoegd. Verder heeft het college ten behoeve van het bestreden besluit een nieuwe Aerius-berekening laten maken, maar die berekening is niet bij het bestreden besluit gevoegd. In het bestreden besluit is immers slechts een samenvatting opgenomen. Daarnaast is ook die Aerius-berekening verouderd, omdat in december van 2024 een nieuwe versie van Aerius gepubliceerd.
15.1.
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het zogenaamde relativiteitsvereiste aan eisers moet worden tegengeworpen.
15.2.
De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.
15.3.
Uit de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- of leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of zo’n verwevenheid kan worden aangenomen, moet onder meer rekening worden gehouden met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied. Als het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van betrokkene, dan is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld.
15.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het belang van eisers bij behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving verweven is met het algemeen belang uit de Wnb. Daarvoor is van belang dat hun woningen op ongeveer 15 km afstand staan van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied "Rijntakken". Die afstand is te groot om verwevenheid aan te nemen. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het besluit vanwege strijd met de Wnb in de weg.
De rechtbank bespreekt de beroepsgrond van eisers hierover daarom niet inhoudelijk.
Waardedaling
16. Eiseres 32 (eiseres) voert nog aan dat haar woning minder waard zal worden, omdat door de komst van de flexwoningen haar woongenot verlaagd wordt en het uitzicht en doorkijk grof verstoord zal worden. Eisers heeft haar woning met zicht op het park gekocht. Bij de aankoop van de woning heeft de gemeente Oss destijds haar verzekerd dat er geen voornemens waren om het park ooit te gaan te wijzigen.
16.1.
Het college zegt hierover in zijn verweerschrift in geval van een eventuele waardevermindering als gevolg van de verleende omgevingsvergunning er een
tegemoetkoming in de schade kan worden aangevraagd op grond van artikel 6.1 van de Wet
ruimtelijke ordening, dan wel de Omgevingswet. In het kader van de beoordeling van dat
verzoek zal de schade worden vastgesteld. Eventuele planschade is geen ruimtelijke
beoordeling die in deze procedure centraal staat.
16.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres haar standpunt dat het bouwplan leidt tot een waardedaling van haar woning, niet nader heeft onderbouwd. In wat zij naar voren heeft gebracht over de eventueel nadelige invloed van het bouwplan op de waarde van zijn woning heeft het college geen grond hoeven zien voor de verwachting dat die waardedaling zodanig zal zijn dat hij bij afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met realisering van het bouwplan aan de orde zijn. Dit laat onverlet dat eiseres - zoals het college reeds heeft aangegeven - op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening de mogelijkheid heeft om binnen de in die bepaling genoemde termijn en onder de daar gestelde voorwaarden om een tegemoetkoming in de schade te vragen.
Het betoog van eiseres hierover faalt.

Conclusie en gevolgen

17. De beroepen zijn niet-ontvankelijk, respectievelijk ongegrond. Dat betekent dat alle eisers geen gelijk krijgen en dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug en zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank
-verklaart de beroepen van eisers 10, 13, 18, 21 en 30 niet ontvankelijk,
-verklaart de overige beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, rechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wabo
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. (..),
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (..),
d. t/m i. (..).
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. (…);
2°. (…);
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel 2.10, eerste lid
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften uit het bouwbesluit;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Bestemmingsplan Zuid-Oss 2010
Artikel 10 Groen
10.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
groenvoorzieningen;
bermen en beplantingen;
speel- en verblijfsvoorzieningen en kunstobjecten;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
voorzieningen voor langzaam verkeer;
nutsvoorzieningen;
verhardingen anders dan ten behoeve van de functie genoemd onder c, d, en f tot een oppervlakte van ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak;
10.2
Bouwregels
10.2.1
Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
(…)

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271).
2.Zie bijvoorbeeld (de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022 ECLI:NL:RVS:2022:3591).
3.Kamerstukken II 1988/89, 21221, nr. 3, p. 32-35.
4.Uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:245, r.o. 7.1.
5.Uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:245.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF3911.
7.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2058).
8.“Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Meidoornlaan (ong.), Oss” van 24 januari 2023, opgesteld door Econsultancy
9.Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:619), onder 13.3, 7 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2720), onder 10.2 en 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1046)
10.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:12).