ECLI:NL:RBOBR:2025:8243

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/01/407242 / HA ZA 24-508
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 6:233 BWArt. 6:236 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid constructeur en dakdekker bij instorting bedrijfshal dak afgewezen wegens verjaring en vervalbeding

Eiser, een bedrijf gespecialiseerd in tuinbouwmachines, vordert vaststelling van aansprakelijkheid van een dakdekkersbedrijf en een constructeur voor de instorting van een deel van het dak van haar bedrijfshal. De instorting vond plaats in juni 2021, jaren na de uitbreiding van de hal in 2017/2018 waarbij beide gedaagden betrokken waren.

De rechtbank oordeelt dat de vordering jegens de dakdekker verjaard is, omdat de aansprakelijkstelling in maart 2022 plaatsvond en de dagvaarding pas in juli 2024, ruim na de in de algemene voorwaarden opgenomen verjaringstermijn van één jaar. Het beroep op stuiting van de verjaring door overleg faalt omdat geen schriftelijke mededeling is gedaan.

Ten aanzien van de constructeur is het beroep op het vervalbeding in de DNR 2011 succesvol. Dit beding stelt een absolute termijn van vijf jaar na voltooiing van de opdracht, die niet kan worden gestuit. De dagvaarding is te laat uitgebracht. Het beding wordt niet als onredelijk bezwarend beoordeeld, en het beroep op rechtsverwerking faalt omdat geen gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het beding niet zou worden ingeroepen.

Daarom worden alle vorderingen van eiser afgewezen en wordt zij veroordeeld in de proceskosten van beide gedaagden.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens verjaring en vervalbeding; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/407242 / HA ZA 24-508
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R. van den Berg Jeths,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. L. Carrière-Verlinden,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. T. Riyazi,
gedaagde partijen.

1.Inleiding en korte samenvatting

1.1.
Montagebedrijf [gedaagde 1] en constructeur [gedaagde 2] zijn betrokken geweest bij de uitbreiding van de bedrijfshal van [eiser] . Jaren later is een deel van het dak van de oorspronkelijke bedrijfshal ingestort, waardoor [eiser] schade heeft geleden. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de oorzaak van de instorting van het dak en wie daarvoor aansprakelijk is.
1.2.
[eiser] vordert in deze procedure onder meer dat de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt vastgesteld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het daar niet mee eens. Zij voeren ieder voor zich verweer tegen de vorderingen van [eiser] , zowel op formele gronden als op inhoudelijke.
1.3.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af op formele gronden. Wat betreft [gedaagde 1] slaagt het beroep op verjaring en wat betreft [gedaagde 2] het beroep op het vervalbeding. De vorderingen zijn daarom niet inhoudelijk beoordeeld.

2.De verdere procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 18 december 2024 en de daarin genoemde stukken
- het e-mailbericht van de griffier waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte van [eiser] van 26 september 2025 met producties 17 tot en met 20
- de mondelinge behandeling van 10 oktober 2025, waar alle partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is gespecialiseerd in de ontwikkeling, productie en onderhoud van machines in de tuinbouwsector.
3.2.
In 2014 heeft [eiser] haar bedrijfshal in [plaats] gekocht.
3.3.
In 2017/2018 is de bedrijfshal uitgebreid met een nieuw deel van 710 m2. Dit nieuwe deel is tegen de oude bedrijfshal geplaatst.
3.4.
Voor de uitbreiding heeft [eiser] een architect ingeschakeld (Bureau ir. [A] ), een constructeur ( [gedaagde 2] ) en een montagebedrijf ( [gedaagde 1] ).
3.5.
De architect heeft bestektekeningen gemaakt. Vervolgens is [gedaagde 2] gevraagd om een offerte uit te brengen voor het tekenen en berekenen van de constructie van het project.
In haar e-mail van 6 april 2017 heeft [gedaagde 2] de offerte uitgebracht. De DNR 2011 heeft [gedaagde 2] als bijlage bij deze e-mail gehecht.
3.6.
Nadat de offerte akkoord was bevonden heeft [gedaagde 2] tekeningen en berekeningen gemaakt. Op 6 mei 2017 heeft [gedaagde 2] haar slotdeclaratie verstuurd. De declaratie is op
27 juni 2017 door [eiser] betaald.
3.7.
Voor de uitvoering van de werkzaamheden is [gedaagde 1] ingeschakeld. [gedaagde 1] is een dakdekkersbedrijf en gespecialiseerd in het leveren en monteren van dak- en gevelsystemen.
Ook [gedaagde 1] heeft een offerte uitgebracht, te weten op 16 augustus 2017. Deze offerte is in overleg aangepast, waarbij de staalconstructie en lichtstraten zijn komen te vervallen en de gevel(panelen) zijn gekort (productie 5 [gedaagde 1] ). Op 12 september 2017 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] een opdrachtbevestiging gestuurd, waarin [gedaagde 1] haar algemene voorwaarden van toepassing heeft verklaard.
3.8.
Op 17 november 2017 is [gedaagde 1] gestart met de werkzaamheden.
3.9.
Op 7 mei 2018 was de uitbreiding van de bedrijfshal gereed (het nieuwe deel) en heeft [gedaagde 1] haar werk opgeleverd. Vervolgens heeft [eiser] het nieuwe gedeelte van de bedrijfshal in gebruik genomen.
3.10.
Op 4 juni 2021 is een deel van het dak (ongeveer 300 m2) van de oorspronkelijke bedrijfshal ingestort na heftige regenval. [eiser] heeft hierdoor schade geleden. Zij begroot haar schade voorlopig op € 826.059,37.
3.11.
[eiser] heeft de schade gemeld bij haar opstalverzekeraar ASR.
ASR heeft Adviesbureau [B] (hierna: [B] ) ingeschakeld. Uiteindelijk heeft [B] twee rapporten uitgebracht: het eerste rapport op 23 juli 2021 en een aanvullend rapport op 8 december 2023.
3.12.
ASR heeft aangegeven dat de opstalverzekering van [eiser] geen dekking biedt voor de schade.
3.13.
In berichten van 24 maart 2022 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [eiser] zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de instorting van het dak.
3.14.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ieder hun aansprakelijkheidsverzekeraar ingeschakeld.
De verzekeraars hebben aansprakelijkheid afgewezen.
3.15.
Partijen hebben geprobeerd in onderling overleg tot een oplossing te komen, maar zij zijn daar niet in geslaagd. Daarna is [eiser] deze procedure gestart.

4.De beoordeling

4.1.
Volgens [eiser] zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aansprakelijk voor de door haar geleden schade als gevolg van de instorting van het dak. Dat wil [eiser] in deze procedure vastgesteld hebben. Zij vordert ook een voorschot op de door haar geleden schade. Voor het overige wil [eiser] een verwijzing naar de schadestaatprocedure.
4.2.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Daarbij worden de meest verstrekkende verweren als eerste door de rechtbank beoordeeld.

1.Verweer van [gedaagde 1] : [eiser] is niet-ontvankelijk

4.3.
Volgens [gedaagde 1] kan [eiser] geen vordering instellen althans is [eiser] niet de juiste partij in deze procedure. De aansprakelijkstelling is verstuurd namens de heer en mevrouw [eiser] . Dit zijn (natuurlijke) personen en dus andere personen dan de rechtspersoon die deze procedure is gestart. Een toelichting waarom [eiser] in plaats van de heer en mevrouw [eiser] een vordering zou hebben ontbreekt, aldus [gedaagde 1] . [gedaagde 1] stelt dat niet duidelijk is of [eiser] wel een vordering kan en mag instellen, onder meer omdat onbekend is wie eigenaar is/was van de bedrijfshal.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank moet dit verweer worden verworpen.
In de akte van 26 september 2025 heeft [eiser] toegelicht dat zij de bedrijfshal gebruikt, die eigendom is van de heer en mevrouw [eiser] , zoals blijkt uit de eigendomsinformatie van het Kadaster. Ook zijn uittreksels van de Kamer voor Koophandel overgelegd, waaruit blijkt dat de heer en mevrouw [eiser] de bestuurders zijn van [C] B.V., die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [eiser] .
[gedaagde 1] heeft haar offerte aan [eiser] gericht en vervolgens de facturen aan het “samenwerkingsverband” van de heer en mevrouw [eiser] . Voor [gedaagde 1] moet daarmee voldoende duidelijk zijn geweest dat de heer en mevrouw [eiser] de onderneming runnen in de bedrijfshal. Ook is [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de schade die (mogelijk) het gevolg is van de werkzaamheden die zij aan de bedrijfshal heeft verricht. Ten slotte is een akte van cessie overgelegd (productie 20 [eiser] ) waarbij de vordering, die in deze procedure aan de orde is door de heer en mevrouw [eiser] aan [eiser] is overgedragen. Voor zover er dus nog twijfel zou kunnen bestaan over de vorderingsgerechtigdheid van [eiser] , is dit naar het oordeel van de rechtbank met de cessie gerepareerd.

2.Verweer van [gedaagde 1] : de vordering is verjaard

4.5.
[gedaagde 1] doet een beroep op artikel 67 van Pro haar algemene voorwaarden.
Daarin is bepaald: “
De rechtsvordering tot schadevergoeding of tot herstel van de opdrachtgever jegens de opdrachtnemer tengevolge deze voorwaarden, verjaart door verloop van één jaar nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd.”
[gedaagde 1] is op 24 maart 2022 aansprakelijk gesteld. Op 23 mei 2023 heeft de advocaat van [eiser] zich gemeld bij het bureau [D] dat door de verzekeraar van [gedaagde 1] was ingeschakeld. Dit is echter geen geldige stuiting omdat dit bericht niet tevens aan [gedaagde 1] is gestuurd. De dagvaarding is uitgebracht op 31 juli 2024. Daarmee is meer dan twee jaar verstreken sinds de aansprakelijkstelling. Ook als uit wordt gegaan van 23 mei 2023 is er meer dan één jaar verstreken, aldus [gedaagde 1] .
4.6.
[eiser] voert daar tegenover aan dat voor haar niet duidelijk is welke voorwaarden voor welk deel van de opdracht gelden, omdat er naar verschillende sets van algemene voorwaarden is verwezen. In de offerte van 16 augustus 2017 is onder “condities staalconstructie" opgenomen: “
Op alle leveringen, aanbiedingen en opdrachten zijn de
METAALUNIEVOORWAARDEN gedeponeerd ter griffie van de rechtbank te
Rotterdam op 1 januari 2014 van toepassing”. Maar er wordt ook verwezen naar de voorwaarden van [gedaagde 1] . Vanwege de onduidelijkheid missen beide algemene voorwaarden werking, zodat terug moet worden gevallen op het commune recht, aldus [eiser] .
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dit standpunt van [eiser] niet worden gevolgd. De rechtbank licht dit toe. De offerte is opgebouwd uit meerdere onderdelen van de opdracht. De verwijzing naar de Metaalunievoorwaarden staat uitsluitend onder het kopje “condities staalconstructie” in de offerte. Ook wordt in de offerte verwezen naar de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] . Tijdens de mondelinge behandeling is door [gedaagde 1] onweersproken toegelicht dat de staalconstructie door een derde wordt gemaakt en dat daarom voor dat gedeelte van de opdracht andere voorwaarden gelden. Ook is tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat dit deel van de opdracht van [eiser] uiteindelijk uit de offerte gestreept is. Dat deel van de opdracht hoefde [gedaagde 1] dus niet uit te voeren en daarom zijn de Metaalunievoorwaarden niet van toepassing aldus [gedaagde 1] . De rechtbank volgt [gedaagde 1] daarin. De rechtbank stelt vast dat in de opdrachtbevestiging van
12 september 2017 ook niets meer is opgenomen over de staalconstructie, en dus ook de verwijzing naar de Metaalunievoorwaarden ontbreekt. Kortom, deze voorwaarden zijn dus naar het oordeel van de rechtbank niet relevant bij de beoordeling van het geschil tussen partijen. In navolging op de offerte is in de opdrachtbevestiging (uitsluitend) verwezen naar de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] . De conclusie is dan dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] van toepassing zijn op de overeenkomst met [eiser] , zoals dat ook voor [eiser] voldoende duidelijk had moeten zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat deze voorwaarden op de achterkant van de offerte alsook op de opdrachtbevestiging staan gedrukt.
Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het beroep van [gedaagde 1] op artikel 67 van Pro de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] waarin een regeling is opgenomen over de verjaring (zie hiervoor in r.o. 4.5.).
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] ten aanzien van dit betoog in algemene zin verwezen naar dat wat zij over de algemene voorwaarden van [gedaagde 2] heeft aangevoerd. Voor zover het betoog van [eiser] zo zou moeten worden begrepen dat ook het verjaringsbeding volgens haar onredelijk bezwarend is, was dit naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk voor [gedaagde 1] . Evenmin is dit door [eiser] met feiten toegelicht of concreet gemaakt hoe dit moet worden begrepen in haar verhouding met [gedaagde 1] . Het betoog kan daarom niet slagen.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onvoldoende verweer heeft gevoerd tegen het betoog van [gedaagde 1] dat sprake is van verjaring. Ook heeft [eiser] volgens de rechtbank onvoldoende concreet (en met feiten) aangevoerd dat sprake is van stuiting van de verjaring, niet in haar processtukken en ook niet tijdens de mondelinge behandeling. Voor zover het betoog van [eiser] zo moet worden begrepen dat de uitnodiging van 23 mei 2023 om in overleg te treden (ter voorkoming van een procedure) (productie 10 [eiser] ) en/of het daarop volgende gesprek van 19 september 2023 moeten worden gezien als stuitingshandelingen, dan faalt ook dit betoog. Op de eerste plaats heeft [eiser] dit onvoldoende concreet aangevoerd. Op de tweede plaats wordt overwogen dat ook indien partijen in onderhandeling zijn, in beginsel geldt dat voor stuiting van de verjaring een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW Pro is vereist. Gesprekken of onderhandelingen hebben in beginsel geen stuitende werking. Onder omstandigheden kan een beroep op een verjaringstermijn gedurende onderhandelingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Dat daarvan in dit geval sprake is geweest, is onvoldoende concreet met zwaarwegende feiten gesteld en ook niet gebleken. Ook is in dit geval geen sprake geweest van een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW Pro. Er ontbreekt een voldoende duidelijke waarschuwing aan [gedaagde 1] dat zij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, er rekening mee moet houden dat zij beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal zodat zij zich kan verweren tegen een mogelijke vordering. Het bericht van 23 mei 2023 voldoet ook niet aan de eisen waaraan een schriftelijke mededeling moet voldoen en was ook gestuurd naar de verzekeraar van [gedaagde 1] en niet rechtstreeks naar [gedaagde 1] . Bovendien geldt dat, zelfs als uit wordt gegaan van een geldige stuitingshandeling op 23 mei 2023, de verjaringstermijn van één jaar na de aansprakelijkstelling op 24 maart 2022 al was verstreken.
4.10.
De conclusie van de rechtbank is dat het beroep van [gedaagde 1] op de verjaring slaagt.
Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] op [gedaagde 1] moeten worden afgewezen.

3.Verweer van [gedaagde 2] : de vordering is vervallen

4.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat de DNR 2011 van toepassing zijn op hun overeenkomst. [gedaagde 2] doet een beroep op het vervalbeding in artikel 16 van Pro deze algemene voorwaarden. Daarin is bepaald:
1.
De aansprakelijkheid van de adviseur vervalt door verloop van vijf jaren vanaf de dag waarop de opdracht door voltooiing of opzegging is geëindigd.
(…)
4.
De rechtsvordering uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming vervalt in ieder geval na verloop van vijf jaren vanaf de dag waarop de opdracht door voltooiing of opzegging is geëindigd. De rechtsvordering die na deze termijn wordt ingesteld is niet ontvankelijk.
5.
Indien de einddeclaratie op een eerdere dag wordt verzonden dan de dag waarop de opdracht door opzegging of voltooiing is geëindigd, geldt de eerdere dag als dag waarop de opdracht is geëindigd.
[gedaagde 2] heeft haar slotdeclaratie op 6 mei 2017 verstuurd. De termijn van vijf jaar eindigde op 6 mei 2022. De dagvaarding is van 25 juli 2024, en daarmee te laat, aldus [gedaagde 2] .
4.12.
Volgens [eiser] gaat het beroep van [gedaagde 2] op het vervalbeding in de algemene voorwaarden niet op. Zij voert samengevat weergegeven het volgende aan. De voorwaarden zijn onredelijk bezwarend en worden daarom vernietigd. Op de eerste plaats geldt voor [eiser] de bescherming van de zwarte en grijze lijst van de artikelen 6:236 BW en 6:237 BW als ook de open norm van artikel 6:233 BW Pro. Het opleggen van een vervaltermijn (die niet gestuit kan worden) voor aansprakelijkheid en de instelling van een rechtsvordering brengt [eiser] in een juridisch veel slechtere positie dan uit de wet volgt. De wettelijke verjaringstermijn is vervangen en verkort zonder dat daar enige rechtvaardiging voor was. Een dergelijk beding is bovendien zeer ongebruikelijk.
Ook doet [eiser] een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro (kort gezegd: de redelijkheid en billijkheid). Er is een deskundigenrapport opgesteld door [B] . Op dat moment waren er geen juristen betrokken. Dat is pas gebeurd in het voorjaar van 2022. Toen is ook de aansprakelijkstelling gestuurd. Vervolgens zijn partijen in gesprek gegaan want zij wilden onnodig procederen voorkomen. Dan kan er geen beroep meer worden gedaan op de vervaltermijn. Het beroep op het vervalbeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Bovendien heeft [eiser] voldaan aan de termijnen die in de voorwaarden zijn gesteld.
Ten slotte doet [eiser] een beroep op rechtsverwerking. [gedaagde 2] heeft zich enkel inhoudelijk verweerd. Tijdens de contacten heeft [gedaagde 2] zich nimmer op het standpunt gesteld dat de vordering vervallen zou zijn, aldus [eiser] .
4.13.
[gedaagde 2] betwist dat het vervalbeding onredelijk bezwarend zou zijn. In dit verband wijst [gedaagde 2] op de uitspraken van het gerechtshof Den Bosch van 28 september 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2946) en de Hoge Raad van 27 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:531), waaruit volgt dat een vervaltermijn niet automatisch onredelijk bezwarend is. De DNR 2011 is een veelgebruikte standaardregeling in de bouwsector. Het vervalbeding maakt deel uit van een verzekerbare contractpraktijk, afgestemd op beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen van architecten en constructeurs. Ook de branche zelf onderkent de behoefte aan dit soort vervalbedingen, aldus [gedaagde 2] .
[eiser] had vijf jaren om actie te ondernemen. Dat [eiser] pas in 2024 heeft gedagvaard, ligt in haar eigen risicosfeer. Er is meteen een advocaat op de zaak gezet, en die had naar de vervaltermijnen moeten kijken. Het komt regelmatig voor dat in een situatie van overleg aan partijen wordt gevraagd om een verklaring dat zij geen beroep zullen doen op een vervalbeding, aldus nog steeds de reactie van [gedaagde 2] .
De termijn in het vervalbeding is niet kort. [eiser] heeft maanden de tijd gehad om die afstandsverklaring alsnog te vragen of om een procedure te starten. Van enige onredelijkheid is dus geen sprake, aldus [gedaagde 2] .
Ook ten aanzien van de genoemde termijnen en de door [eiser] gestelde rechtsverwerking voert [gedaagde 2] verweer.
Het vervalbeding is niet onredelijk bezwarend
4.14.
De rechtbank oordeelt als volgt. Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar op grond van artikel 6:233 BW Pro indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (artikel 6:233, aanhef en onder a, BW). Tot de omstandigheden die bij toepassing van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW van belang zijn, behoren de hoedanigheid van partijen, hun maatschappelijke positie, hun onderlinge verhouding en hun deskundigheid.
4.15.
Op grond van artikel 6:237 sub h BW Pro wordt een beding in algemene voorwaarden bij een overeenkomst vermoed onredelijk bezwarend te zijn als dat beding als sanctie op bepaalde gedragingen van [eiser] verval stelt van aan haar toekomende rechten of van bevoegdheid om bepaalde verweren te voeren. In het midden kan blijven of [eiser] een beroep op dit vermoeden toekomt aangezien de rechtbank tot het oordeel komt dat het beding niet onredelijk bezwarend is.
4.16.
De rechtbank merkt op dat [eiser] en [gedaagde 2] ook hebben gedebatteerd over de vraag of [eiser] als consument kwalificeert en daarom een beroep toekomt op artikel 6:237 sub h BW Pro. Uit de overwegingen hierna volgt dat het betoog van [eiser] inhoudelijk niet opgaat, zodat de vraag of zij als consument kwalificeert in het midden kan blijven.
4.17.
De rechtbank overweegt als volgt. Aan [gedaagde 2] is door de architect van [eiser] een offerte gevraagd ten behoeve van “De uitbreiding bedrijfshal(…)”.
De offerte is via de architect verstuurd maar zoals uit r.o. 4.4. volgt was het voor [gedaagde 2] duidelijk dat de werkzaamheden ten behoeve en voor rekening van [eiser] werden verricht. Partijen zijn het er over eens dat DNR 2011 van toepassing zijn. De vervaltermijn die daarin is opgenomen geldt vanaf de dag waarop de opdracht door voltooiing of opzegging is geëindigd. Indien de einddeclaratie op een eerdere dag wordt verzonden dan de dag waarop de opdracht door opzegging of voltooiing is geëindigd, geldt de eerdere dag als dag waarop de opdracht is geëindigd. Het is een termijn van vijf jaar. Als er dus sprake was van een tekortkoming in de werkzaamheden van [gedaagde 2] , was er een termijn van vijf jaar om dit te ontdekken en een rechtsvordering in te stellen. Concreet betekent het in dit geval dat een eventuele vordering op 6 mei 2022 is vervallen, vijf jaar nadat de slotdeclaratie is verstuurd (6 mei 2017).
In dit geval is de uitbreiding van de hal ongeveer een jaar na het versturen van de declaratie afgerond, namelijk in mei 2018. De schade is ontstaan in juni 2021. Het vervalbeding is daarmee ongunstiger voor [eiser] in vergelijking met de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW Pro, omdat die termijn aanvangt na bekendheid met de schade (en de aansprakelijke persoon).
4.18.
In de gegeven omstandigheden is het vervalbeding naar het oordeel van de rechtbank echter niet onredelijk bezwarend. Het gaat om een overeenkomst van opdracht ten behoeve van berekeningen in de bouwsector en ten behoeve van de bouw van een bedrijfshal. De stelling van [eiser] dat het vervalbeding ongebruikelijk is, is door [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd weersproken. [gedaagde 2] heeft er op gewezen dat het gaat om veelgebruikte standaard voorwaarden, zeker in de sector. Ook is het vervalbeding voor haar van belang vanwege de verkrijging van dekking onder een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Volgens [gedaagde 2] was [eiser] met het beding bekend althans dit mag worden verondersteld. Daarnaast heeft [gedaagde 2] gesteld dat het, in het geval partijen in onderhandeling raken, gebruikelijk is om afspraken te maken over een eventueel beroep op het vervalbeding. Het voorgaande is door [eiser] niet gemotiveerd betwist en [eiser] heeft ook geen nadere argumenten aangevoerd waarom het beding toch als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] voldoende verweer heeft gevoerd en [eiser] vervolgens te weinig heeft gesteld ter onderbouwing van haar betoog dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Naar het oordeel van de rechtbank is er gezien dat wat [gedaagde 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat in het geval over de voorwaarden zou zijn onderhandeld, de uitkomst anders zou zijn geweest. Bovendien vindt de rechtbank nog het volgende van belang. Nadat de schade was ontstaan, heeft [eiser] van aanvang af bijstand gehad, eerst van haar verzekeraar en later heeft zij ook juridische bijstand gehad. Het eerste rapport van [B] , waaruit een mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] zou kunnen worden afgeleid, was een paar maanden na het ongeval al gereed. [eiser] is sinds het voorjaar van 2022 bijgestaan door een advocaat en vanaf mei 2023 door haar huidige advocaat. Dat het beding onredelijk kort is, is ook niet gebleken. De rechtbank stelt vast dat [eiser] vijf jaar had om een procedure te starten. Dat zij dat om haar moverende redenen niet heeft gedaan, ligt in haar risicosfeer.
4.19.
De conclusie van de rechtbank is dat er geen sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Dit betekent dat het vervalbeding niet kan worden vernietigd op grond van artikel 6:233 BW Pro. Vervolgens dient te worden beoordeeld of tijdig binnen het vervalbeding is gehandeld door [eiser] , of sprake is van rechtsverwerking of dat [gedaagde 2] geen beroep toekomt op het beding.
[eiser] heeft niet binnen de vervaltermijn gehandeld
4.20.
Nu het vervalbeding van toepassing is, is de eerstvolgende vraag die moet worden beantwoord of [eiser] binnen de daarin gestelde termijn heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet zo.
4.21.
In haar akte stelt [eiser] dat zij:
* [gedaagde 2] op de hoogte heeft gebracht van het gebeurde (in juni 2021, kort na de instorting);
* [gedaagde 2] aansprakelijk heeft gesteld (24 maart 2022 dus binnen 5 jaar);
* vervolgens een tijd met de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde 2] en de door die
verzekeraar ingeschakelde bouwkundig expert heeft gecorrespondeerd (tot eind 2022),
waarna die correspondentie (in 2023) is voortgezet door de advocaat van [eiser] ;
* daarna (op 19 december 2023) een bespreking heeft plaatsgevonden met de
aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde 2] (en die van [gedaagde 1] );
* en vervolgens [gedaagde 2] heeft gedagvaard (31 juli 2024).
4.22.
De vervaltermijn is aangevangen op 6 mei 2017. De aard van een vervaltermijn is dat deze niet kan worden gestuit of verlengd, zodat deze op 6 mei 2022 is verstreken.
Weliswaar heeft [eiser] [gedaagde 2] voor die tijd aansprakelijk gesteld, maar de dagvaarding is ruim twee jaar later pas uitgebracht. Op grond van de algemene voorwaarden was dit een vereiste om aan de werking van het vervalbeding te ontkomen. Partijen waren weliswaar met elkaar in gesprek over de oorzaak van de instorting, de schade van [eiser] en de afhandeling daarvan, al dan niet via de verzekeraar(s), maar nergens uit blijkt dat [gedaagde 2] of haar verzekeraar in die periode aansprakelijkheid heeft erkend. Er is door [eiser] geen verklaring gegeven voor het tijdsverloop, behalve de gesprekken die in die periode hebben plaatsgevonden. [eiser] had juridische bijstand en zij had daarmee ook op de hoogte moeten zijn van haar juridische mogelijkheden en beperkingen. In dit geval betekende dat, dat de dagvaarding aan [gedaagde 2] voor 6 mei 2022 had moeten worden uitgebracht. Dat is niet gebeurd, en daarmee is de vordering van [eiser] op [gedaagde 2] vervallen.
Er is geen sprake van rechtsverwerking
4.23.
Volgens [eiser] is er echter sprake van rechtsverwerking door [gedaagde 2] . Tijdens geen van de genoemde contacten (zie hiervoor r.o. 4.21.) heeft [gedaagde 2] zich namelijk op het standpunt heeft gesteld dat de vordering van [eiser] vervallen zou zijn. Het betoog van [eiser] komt erop neer dat [gedaagde 2] dat wel had moeten doen. Door dat niet te doen, mag [gedaagde 2] daar niet alsnog een beroep op doen, aldus [eiser] .
4.24.
Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid (Hoge Raad 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574).
4.25.
[gedaagde 2] stelt dat zij op geen enkel moment afstand heeft gedaan van haar rechten. Er is onderzoek gedaan naar de aansprakelijkstelling en de gestelde fout, maar er is nimmer gecommuniceerd dat afstand werd gedaan van andere verweren. In de zaak van het gerechtshof Den Bosch van 28 september 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2946) is ten aanzien van een constructeur overwogen dat meewerken aan de oplossing van problemen niet met zich brengt dat later geen beroep meer kan worden gedaan op het vervalbeding.
Bovendien is [eiser] niet benadeeld doordat niet meteen een beroep op het beding is gedaan. Zij wordt sinds het ontstaan van de schade bijgestaan door adviseurs, zodat het op haar weg lag om zelf haar rechten veilig te stellen, aldus [gedaagde 2] .
4.26.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door [eiser] aangevoerde omstandigheden het beroep op rechtsverwerking niet dragen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nogmaals de nadruk gelegd op de contacten die er met [gedaagde 2] zijn geweest. Aanvankelijk waren er geen juristen bij de zaak betrokken. Dat is pas gebeurd in het voorjaar van 2022, terwijl de huidige advocaat sinds mei 2023 is betrokken. Volgens [eiser] is er toen niet naar het vervalbeding gekeken en hebben partijen samen geprobeerd het op te lossen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het enkel spreken over een mogelijke oplossing of een overleg tussen partijen niet mee dat er in een later stadium geen beroep op een vervalbeding kan worden gedaan. Nog daargelaten dat de contacten in 2022 en 2023 (vooral) plaats hebben gevonden met de verzekeraars van partijen, zijn er geen feiten aangevoerd waaruit blijkt dat [eiser] ervan mocht uitgaan dat [gedaagde 2] geen beroep meer zou doen op het vervalbeding. [eiser] benoemt ook geen gedrag of uitlatingen met die strekking die door of namens [gedaagde 2] zijn gedaan. Dit is ook overigens niet gebleken.
Het beroep op het vervalbeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar
4.27.
[eiser] stelt dat beroep van [gedaagde 2] op het vervalbeding bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW Pro).
4.28.
Het uitgangspunt is dat wanneer in een overeenkomst een vervaltermijn voorkomt, iedere partij in beginsel vrij is zich daarop ten nadele van de andere partij te beroepen. Bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW Pro) dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten. Het gaat er niet om of het inroepen van het vervalbeding niet redelijk is of in strijd is met redelijkheid en billijkheid, maar of het inroepen van het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij wordt rekening gehouden met alle omstandigheden waarop de partij zich beroept die het beding buiten toepassing wil laten, in dit geval dus [eiser] .
4.29.
[eiser] wijst ook in dit verband op de contacten die zij met [gedaagde 2] heeft gehad, de aard en de hoogte van haar vordering en de grote gevolgen die een verval van de vordering met zich brengt.
4.30.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] de nadruk gelegd op de contacten die er met [gedaagde 2] zijn geweest. De rechtbank herhaalt dat enkel het spreken over een mogelijke oplossing niet met zich brengt dat er later geen beroep meer kan worden gedaan op een vervalbeding. [eiser] heeft geen feiten aangevoerd waaruit blijkt dat zij daarop mocht vertrouwen gezien het gedrag tijdens de onderhandelingen of uitlatingen die daarbij door of namens [gedaagde 2] zijn gedaan. Overigens lag het niet op de weg van [gedaagde 2] om [eiser] tijdens de onderhandelingen op het vervalbeding te wijzen en haar daarvoor te waarschuwen. [eiser] werd namelijk door deskundigen bijgestaan. Nergens uit blijkt dat het voor [eiser] niet mogelijk was om binnen de vervaltermijn een procedure te starten.
4.31.
[eiser] stelt een hoge vordering op [gedaagde 2] te hebben, zodat het beroep op het vervalbeding voor haar grote gevolgen heeft. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit echter niet dat het beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een vervalbeding dient met name de rechtszekerheid voor de partij die haar hanteert, in dit geval [gedaagde 2] . Als afhankelijk van de hoogte van de vordering een beroep op het vervalbeding zou kunnen worden gepasseerd komt dat in strijd met de beoogde rechtszekerheid. [gedaagde 2] heeft er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat de voorwaarden in de DNR 2011 algemeen zijn aanvaard en gebruikt worden binnen haar branche. Ook wijst zij er op dat het voor architecten en constructeurs zonder dergelijke voorwaarden lastig wordt om zich voor aansprakelijkheid te verzekeren. In dit verband merkt de rechtbank op dat in de DNR 2011 niet alleen een vervalbeding is opgenomen, maar ook een beding waarin de omvang van de schadevergoeding wordt beperkt tot de advieskosten, ofwel het bedrag van de factuur (artikel 15 lid Pro 2). Ook op dat beding is in deze procedure een beroep gedaan door [gedaagde 2] . In deze omstandigheden is het beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.
4.32.
De conclusie van de rechtbank is dat het beroep van [gedaagde 2] op het vervalbeding slaagt. Dit betekent dat ook de vorderingen van [eiser] op [gedaagde 2] moeten worden afgewezen.
Conclusie en proceskosten
4.33.
Zowel ten aanzien van [gedaagde 1] als ten aanzien van [eiser] slaagt een beroep op een formeel verweer. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Dat geldt zowel voor de gevorderde verklaring voor recht als voor de overige vorderingen, omdat deze daarmee samenhangen. De overige stellingen van partijen hoeven daarom niet te worden beoordeeld.
4.34.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betalen. De proceskosten van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] worden begroot op ieder:
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.653,00
4.35.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 10.653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 10.653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.