ECLI:NL:RBOBR:2025:8379

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
NL:TZ:0000113298:B001
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om machtiging voor beloning verhuizing door bewindvoerder

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 9 december 2025 uitspraak gedaan op een verzoek van de bewindvoerder van een betrokkene, die om een machtiging vroeg voor de beloning van een verhuizing. De bewindvoerder, ZEKER Financiële Zorgverlening B.V., stelde dat de betrokkene geen mentor had en dat hij aanspraak wilde maken op de verhuiskostenbeloning conform artikel 3 lid 5 sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoek en de bijlagen, maar heeft besloten af te zien van een mondelinge behandeling.

De kantonrechter overwoog dat de bewindvoerder geen recht heeft op de verhuiskostenvergoeding, omdat de betrokkene in staat was om de verhuizing zelf te regelen en er geen mentor aanwezig was om de feitelijke werkzaamheden te verrichten. De kantonrechter baseerde zijn oordeel op de Regeling en de Nota van Toelichting, waarin staat dat de beloning voor verhuiskosten alleen kan worden toegekend als de betrokkene niet zelf in staat is om de verhuizing te regelen. De kantonrechter concludeerde dat de administratieve werkzaamheden die de bewindvoerder had verricht, zoals het aanpassen van adressen en aanvragen van huurtoeslag, onder de standaard jaarbeloning vallen en geen recht geven op een extra vergoeding.

De kantonrechter wees het verzoek van de bewindvoerder af, omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een aanvullende vergoeding rechtvaardigden. De beschikking werd openbaar uitgesproken en er werd aangegeven dat tegen deze beschikking hoger beroep kan worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, onder bepaalde voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Toezicht
Locatie 's-Hertogenbosch
toezichtnummer
:
NL:TZ:0000113298:B001
CBM-nummer
:
[dossiernummer]
beschikkingsnummer
:
3
datum
:
9 december 2025

Beschikking van de kantonrechter

op verzoek van:
ZEKER Financiële Zorgverlening B.V.,
Postbus 50099, 1305 AB Almere,
Kamer van Koophandel-nummer 32109241,
hierna te noemen: verzoeker,
met betrekking tot:

[naam betrokkene] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,hierna te noemen: betrokkene.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 24 september 2025.
De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.

Beoordeling

Verzoeker is de bewindvoerder van betrokkene en vraagt machtiging voor de beloning voor een verhuizing conform artikel 3 lid 5 sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling). Betrokkene heeft geen mentor.
Verzoeker licht het verzoek als volgt toe:
“ [betrokkene] is op [datum verhuizing] verhuisd. [betrokkene] heeft geen mentor.
Taken:
- Adressen intern aangepast
- Huurwoning opgezegd
- Akkoord gegeven voor nieuwe huurwoning
- Internet/tv, elektra en water aangevraagd
- Huurtoeslag aangevraagd
- Adreswijziging doorgegeven bij de betrokken instanties
- Nieuwe begroting gemaakt
- Machtiging aangevraagd voor inrichtingskosten
In de bijlage volgt een bewijsstuk van de verhuizing.
Vanwege de recente uitspraak vanuit het Hof dien ik dit verzoek alsnog in:
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHARL:2025:5177 en vanuit de expertgroep CBM: https://www.nvvk.nl/nieuws-detail/2025/09/16/verhuisde-je-client-dan-mag-je-met-terugwerkende-kracht-388-euro-declareren?originNode=1393
Het verzoek komt er feitelijk op neer dat verzoeker aanspraak wenst te maken op de verhuiskostenbeloning, waarbij verzoeker heeft aangegeven alleen administratieve werkzaamheden en geen feitelijke werkzaamheden voor de verhuizing van betrokkene te hebben verricht. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2025:5177) en het bericht van de Expertgroep CBM aan de NVVK waarin een aanbeveling is opgenomen om de lijn van het voornoemde gerechtshof te volgen.
De kantonrechter zal, gelet op de ontvangen informatie, het verzoek afwijzen en overweegt hiertoe het volgende.
Op grond van artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de bewindvoerder aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Deze regels zijn vastgesteld in de reeds genoemde Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
In artikel 3 lid 1 van de Regeling staat dat de kantonrechter de beloning van een bewindvoerder vaststelt overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid. In lid 2 staat de standaard jaarbeloning. In lid 5 staat een aantal aanvullende beloningen, bijvoorbeeld ‘voor verkoop of ontruiming van een woning, of in geval er geen mentor is, een verhuizing’.
Anders dan sommige Hoven recent hebben geoordeeld en de aanbeveling van de Expertgroep CBM om de lijn van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2025:5177) te volgen, is de kantonrechter van oordeel dat een bewindvoerder niet altijd recht heeft op de verhuiskostenvergoeding in het geval betrokkene geen mentor heeft en/of zelf in staat is de verhuizing te regelen wanneer betrokkene verhuist.
Dit kan worden afgeleid uit de Nota van Toelichting bij de Regeling. Hierin staat voor zover van belang:
‘Naast de jaarbeloning kunnen professionele vertegenwoordigers in voorkomende gevallen tevens aanspraak maken op een forfaitaire beloning voor bepaalde incidentele werkzaamheden, zoals werkzaamheden in verband met een verhuizing.
Uitgangspunt is dat de curator, bewindvoerder en mentor adequaat worden beloond voor de uitoefening van hun taken. (…) Een adequate beloning betekent ook dat vertegenwoordigers in staat moeten worden gesteld om hun werkzaamheden in het belang van de betrokkene naar behoren uit te voeren.
De jaarbeloning geldt als gemiddelde. Het ene mentorschap of bewind zal meer tijd vergen dan het andere. Het zal ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire jaarbeloning is gebaseerd. Het voordeel van het hanteren van een forfaitaire beloning is dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is. Daarmee wordt beoogd de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen.
De beloning voor werkzaamheden in verband met de verkoop of ontruiming van de woning van rechthebbende, of in geval er geen mentor is, de verhuizing van de rechthebbende, bedraagt (5 uren * € 65 =) € 325.
De werkzaamheden in het kader van een verhuizing vallen in beginsel onder de taak van de mentor. Daarom dient een beloning voor werkzaamheden in het kader van een verhuizing alleen te worden toegekend indien de rechthebbende daartoe zelf niet in staat is en er geen mentor is die de verhuizing kan regelen.”
Als een betrokkene een mentor heeft en/of zelf in staat is de verhuizing te regelen ontvangt een bewindvoerder geen aanvullende beloning in het geval van een verhuizing. Dit terwijl een verhuizing ook in die gevallen wel extra werk betekent voor de bewindvoerder. Zo moet hij adressenlijsten aanpassen, adreswijzigingen de deur uitdoen, in een voorkomend geval een nieuwe aanvraag doen voor bijzondere bijstand, een nieuwe begroting maken et cetera. Gelet op de inhoud van de Regeling en de toelichting daarop heeft de wetgever blijkbaar beoogd dat voor deze extra - administratieve - werkzaamheden de standaard jaarbeloning een adequate beloning is waarbij de wetgever uitdrukkelijk heeft overwogen dat meeruren in het ene dossier in een jaar worden gecompenseerd door minderuren in andere dossiers en/of andere jaren.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet de bedoeling van de wetgever geweest om een beloning voor enkel de administratieve werkzaamheden in het kader van een verhuizing toe te kennen als er geen mentor is en/of betrokkene niet zelf in staat is de verhuizing te regelen.
In de Nota van Toelichting bij de Regeling staat immers dat een beloning in het kader van een verhuizing alleen wordt toegekend als er geen mentor is en/of indien de rechthebbende (betrokkene) daartoe zelf niet in staat is. De crux zit hem in deze toevoegingen. Immers: wat doet de mentor of betrokkene zelf bij een verhuizing? Het gaat dan niet om de administratieve afhandeling, maar om de niet-administratieve verhuiswerkzaamheden (denk daarbij aan een verhuizer inhuren, busje huren et cetera). Als er niemand is om die feitelijke verhuiswerkzaamheden te regelen en de bewindvoerder dat op zich moet nemen, heeft de bewindvoerder recht op de vergoeding die normaliter de mentor toekomt. Een mentor heeft immers ook alleen recht op de verhuisvergoeding indien hij of zij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht in verband met de verhuizing van betrokkene, zo blijkt uit de toelichting bij artikel 4 lid 4 onderdeel b van de Regeling. Het mag duidelijk zijn dat dat niet de administratieve werkzaamheden betreffen. Die zijn immers voorbehouden aan de bewindvoerder.
De Aanbevelingen meerderjarigenbewind (hierna: Aanbevelingen), vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT) op 3 april 2025, zijn in lijn met het voorgaande.
In B.H8 van de Aanbevelingen staat vermeld dat de administratieve werkzaamheden vanwege een verhuizing in beginsel tot de normale taak van een bewindvoerder behoren; “De extra beloning in verband met verhuizen is bedoeld voor extra werkzaamheden die een bewindvoerder moet verrichten ten aanzien van de feitelijke verhuizing van de rechthebbende. Daarbij kan gedacht worden aan omzetten van het energie- of internetcontracten, een verhuisbedrijf inschakelen, een schoonmaakploeg inhuren en dergelijke, omdat de rechthebbende en zijn sociale omgeving of mentor dit niet zelf kunnen regelen. De bewindvoerder moet vermelden waarom de rechthebbende dit niet zelf kan.”
De kantonrechter is overigens van oordeel - in afwijking van de Aanbevelingen en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (
ECLI:NL:GHSHE:2025:2330 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)) - dat het omzetten van energie- of internetcontracten geen feitelijke werkzaamheden zijn die zien op de verhuizing, maar administratieve handelingen die onder de forfaitaire jaarbeloning vallen. Alle administratieve handelingen in het geval van een verhuizing komen namelijk voor rekening en risico van de bewindvoerder, omdat dit handelingen van vermogensrechtelijke aard zijn. Omdat de bewindvoerder betrokkene in het geval van een verhuizing in en buiten rechte vertegenwoordigt, betekent dit dat instanties slechts contact wensen en mogen hebben met de bewindvoerder. Dat maakt dat betrokkene niet langer in staat moet worden geacht om de betreffende werkzaamheden (zelfstandig) te kunnen verrichten.
Ingeval van een verhuizing behoren de daarbij behorende feitelijke werkzaamheden die zien op de verhuizing niet tot de reguliere taken van de bewindvoerder; hiervoor geldt dan ook die extra beloning voor een verhuizing.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de bewindvoerder enkel aanspraak kan maken op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding indien werkzaamheden zijn verricht in het kader van de verhuizing die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Oftewel: er moeten andere werkzaamheden zijn gesteld en verricht dan (de standaard) administratieve werkzaamheden. Uit de door de bewindvoerder gegeven opsomming blijkt hier niet van. Er bestaat daarom geen recht op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding. De kantonrechter zal dan ook het beloningsverzoek afwijzen.
Wel zou recht kunnen bestaan op een aanvullende vergoeding op grond van artikel 3 lid 6 van de Regeling. Hiervoor is echter vereist dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Ook hiervan is niet gebleken.

Beslissing

De kantonrechter wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.H. Schormans, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.