ECLI:NL:RBOBR:2025:8394

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
NL:TZ:0000352566:B001
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om machtiging voor beloning verhuizing door bewindvoerder

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan op een verzoek van de bewindvoerder van een betrokkene. De bewindvoerder vroeg om een machtiging voor een extra beloning in verband met administratieve werkzaamheden die voortvloeiden uit de verhuizing van de betrokkene op 15 mei 2025. De bewindvoerder stelde dat de verhuizing aanzienlijke extra administratieve werkzaamheden met zich meebracht, zoals het doorgeven van adreswijzigingen aan banken en verzekeraars, het aanpassen van contracten met nutsbedrijven en het aanvragen van offertes voor witgoed. De bewindvoerder vroeg deze vergoeding met terugwerkende kracht aan, verwijzend naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. De rechter oordeelde dat de bewindvoerder geen recht heeft op een extra beloning voor enkel administratieve werkzaamheden in het kader van de verhuizing, aangezien deze werkzaamheden onder de standaard jaarbeloning vallen. De kantonrechter benadrukte dat de beloning voor verhuiskosten alleen kan worden toegekend als de betrokkene niet in staat is om de verhuizing zelf te regelen en er geen mentor aanwezig is. De rechter concludeerde dat de bewindvoerder enkel aanspraak kan maken op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding indien er feitelijke werkzaamheden zijn verricht die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Aangezien de bewindvoerder alleen administratieve taken had uitgevoerd, werd het verzoek afgewezen.

De beschikking is openbaar uitgesproken en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na de uitspraak, uitsluitend door tussenkomst van een advocaat.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Toezicht
Locatie 's-Hertogenbosch
toezichtnummer
:
NL:TZ:0000352566:B001
CBM-nummer
:
[dossiernummer]
beschikkingsnummer
:
1
datum
:
4 december 2025

Beschikking van de kantonrechter

op verzoek van:
[naam bewindvoerder] ,
handelend onder de naam [naam bewindvoerderskantoor] ,
Postbus [postbus] , [postcode 1] [vestigingsplaats] ,
Kamer van Koophandel-nummer [kvk] ,
hierna te noemen: verzoeker,
met betrekking tot:

[naam betrokkene] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,wonende te [adres 1] , [postcode 2] [woonplaats 1] ,hierna te noemen: betrokkene.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 23 september 2025.
De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.

Beoordeling

Verzoeker is de bewindvoerder van betrokkene en vraagt machtiging voor de beloning voor een verhuizing conform artikel 3 lid 5 sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling). Betrokkene heeft geen mentor.
Verzoeker licht het verzoek als volgt toe:
“Rechthebbende is op 15 mei 2025 verhuisd naar de [adres 2] in [woonplaats 2] .
De verhuizing bracht voor mij aanzienlijke extra administratieve werkzaamheden met zich mee, bovenop de reguliere taken van het bewind. Ik heb onder meer:
• De wijziging van adres doorgegeven aan de bank en diverse financiële instellingen;
• De verzekeringen aangepast (inboedel-, aansprakelijkheids- en zorgverzekering waar nodig);
• Contact opgenomen met de nutsbedrijven (gas, water, elektra, internet en tv) om contracten aan te sluiten
• Gemeentelijke belastingen en heffingen aangepast;
• Diverse instanties en organisaties aangeschreven (waaronder
• Uitzoeken van witgoed, offertes aanvragen en bestellen.
Gezien de omvang en intensiteit van deze werkzaamheden, die buiten de reguliere beheer- en onderhoudstaken vallen, acht ik het redelijk om hiervoor een extra beloning toe te kennen.
Ik vraag deze vergoeding met terugwerkende kracht aan, conform de aanbeveling van de Expertgroep CBM die volgt op de recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 augustus 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5177).
Ik verzoek u derhalve om vaststelling van een extra vergoeding conform de richtlijnen.
Het verzoek komt er feitelijk op neer dat verzoeker aanspraak wenst te maken op de verhuiskostenbeloning, waarbij verzoeker heeft aangegeven alleen administratieve werkzaamheden en geen feitelijke werkzaamheden voor de verhuizing van betrokkene te hebben verricht. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 augustus 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5177).
De kantonrechter zal, gelet op de ontvangen informatie, het verzoek afwijzen en overweegt hiertoe het volgende.
Op grond van artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de bewindvoerder aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Deze regels zijn vastgesteld in de reeds genoemde Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
In artikel 3 lid 1 van de Regeling staat dat de kantonrechter de beloning van een bewindvoerder vaststelt overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid. In lid 2 staat de standaard jaarbeloning. In lid 5 staat een aantal aanvullende beloningen, bijvoorbeeld ‘voor verkoop of ontruiming van een woning, of in geval er geen mentor is, een verhuizing’.
Anders dan sommige Hoven recent hebben geoordeeld, is de kantonrechter van oordeel dat een bewindvoerder niet altijd recht heeft op de verhuiskostenvergoeding in het geval betrokkene geen mentor heeft en/of zelf in staat is de verhuizing te regelen wanneer betrokkene verhuist.
Dit kan worden afgeleid uit de Nota van Toelichting bij de Regeling. Hierin staat voor zover van belang:
‘Naast de jaarbeloning kunnen professionele vertegenwoordigers in voorkomende gevallen tevens aanspraak maken op een forfaitaire beloning voor bepaalde incidentele werkzaamheden, zoals werkzaamheden in verband met een verhuizing.
Uitgangspunt is dat de curator, bewindvoerder en mentor adequaat worden beloond voor de uitoefening van hun taken. (…) Een adequate beloning betekent ook dat vertegenwoordigers in staat moeten worden gesteld om hun werkzaamheden in het belang van de betrokkene naar behoren uit te voeren.
De jaarbeloning geldt als gemiddelde. Het ene mentorschap of bewind zal meer tijd vergen dan het andere. Het zal ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire jaarbeloning is gebaseerd. Het voordeel van het hanteren van een forfaitaire beloning is dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is. Daarmee wordt beoogd de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen.
De beloning voor werkzaamheden in verband met de verkoop of ontruiming van de woning van rechthebbende, of in geval er geen mentor is, de verhuizing van de rechthebbende, bedraagt (5 uren * € 65 =) € 325.
De werkzaamheden in het kader van een verhuizing vallen in beginsel onder de taak van de mentor. Daarom dient een beloning voor werkzaamheden in het kader van een verhuizing alleen te worden toegekend indien de rechthebbende daartoe zelf niet in staat is en er geen mentor is die de verhuizing kan regelen.”
Als een betrokkene een mentor heeft en/of zelf in staat is de verhuizing te regelen ontvangt een bewindvoerder geen aanvullende beloning in het geval van een verhuizing. Dit terwijl een verhuizing ook in die gevallen wel extra werk betekent voor de bewindvoerder. Zo moet hij adressenlijsten aanpassen, adreswijzigingen de deur uitdoen, in een voorkomend geval een nieuwe aanvraag doen voor bijzondere bijstand, een nieuwe begroting maken et cetera. Gelet op de inhoud van de Regeling en de toelichting daarop heeft de wetgever blijkbaar beoogd dat voor deze extra - administratieve - werkzaamheden de standaard jaarbeloning een adequate beloning is waarbij de wetgever uitdrukkelijk heeft overwogen dat meeruren in het ene dossier in een jaar worden gecompenseerd door minderuren in andere dossiers en/of andere jaren.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet de bedoeling van de wetgever geweest om een beloning voor enkel de administratieve werkzaamheden in het kader van een verhuizing toe te kennen als er geen mentor is en/of betrokkene niet zelf in staat is de verhuizing te regelen.
In de Nota van Toelichting bij de Regeling staat immers dat een beloning in het kader van een verhuizing alleen wordt toegekend als er geen mentor is en/of indien de rechthebbende (betrokkene) daartoe zelf niet in staat is. De crux zit hem in deze toevoegingen. Immers: wat doet de mentor of betrokkene zelf bij een verhuizing? Het gaat dan niet om de administratieve afhandeling, maar om de niet-administratieve verhuiswerkzaamheden (denk daarbij aan een verhuizer inhuren, busje huren et cetera). Als er niemand is om die feitelijke verhuiswerkzaamheden te regelen en de bewindvoerder dat op zich moet nemen, heeft de bewindvoerder recht op de vergoeding die normaliter de mentor toekomt. Een mentor heeft immers ook alleen recht op de verhuisvergoeding indien hij of zij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht in verband met de verhuizing van betrokkene, zo blijkt uit de toelichting bij artikel 4 lid 4 onderdeel b van de Regeling. Het mag duidelijk zijn dat dat niet de administratieve werkzaamheden betreffen. Die zijn immers voorbehouden aan de bewindvoerder.
De Aanbevelingen meerderjarigenbewind (hierna: Aanbevelingen), vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT) op 3 april 2025, zijn in lijn met het voorgaande.
In B.H8 van de Aanbevelingen staat vermeld dat de administratieve werkzaamheden vanwege een verhuizing in beginsel tot de normale taak van een bewindvoerder behoren; “De extra beloning in verband met verhuizen is bedoeld voor extra werkzaamheden die een bewindvoerder moet verrichten ten aanzien van de feitelijke verhuizing van de rechthebbende. Daarbij kan gedacht worden aan omzetten van het energie- of internetcontracten, een verhuisbedrijf inschakelen, een schoonmaakploeg inhuren en dergelijke, omdat de rechthebbende en zijn sociale omgeving of mentor dit niet zelf kunnen regelen. De bewindvoerder moet vermelden waarom de rechthebbende dit niet zelf kan.”
De kantonrechter is overigens van oordeel - in afwijking van de Aanbevelingen en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (
ECLI:NL:GHSHE:2025:2330 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)) - dat het omzetten van energie- of internetcontracten geen feitelijke werkzaamheden zijn die zien op de verhuizing, maar administratieve handelingen die onder de forfaitaire jaarbeloning vallen. Alle administratieve handelingen in het geval van een verhuizing komen namelijk voor rekening en risico van de bewindvoerder, omdat dit handelingen van vermogensrechtelijke aard zijn. Omdat de bewindvoerder betrokkene in het geval van een verhuizing in en buiten rechte vertegenwoordigt, betekent dit dat instanties slechts contact wensen en mogen hebben met de bewindvoerder. Dat maakt dat betrokkene niet langer in staat moet worden geacht om de betreffende werkzaamheden (zelfstandig) te kunnen verrichten.
Ingeval van een verhuizing behoren de daarbij behorende feitelijke werkzaamheden die zien op de verhuizing niet tot de reguliere taken van de bewindvoerder; hiervoor geldt dan ook die extra beloning voor een verhuizing.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de bewindvoerder enkel aanspraak kan maken op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding indien werkzaamheden zijn verricht in het kader van de verhuizing die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Oftewel: er moeten andere werkzaamheden zijn gesteld en verricht dan (de standaard) administratieve werkzaamheden. Uit de door de bewindvoerder gegeven opsomming blijkt hier niet van. Er bestaat daarom geen recht op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding. De kantonrechter zal dan ook het beloningsverzoek afwijzen.
Wel zou recht kunnen bestaan op een aanvullende vergoeding op grond van artikel 3 lid 6 van de Regeling. Hiervoor is echter vereist dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Ook hiervan is niet gebleken.

Beslissing

De kantonrechter wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.H. Schormans, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.
Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.