ECLI:NL:RBOBR:2025:970
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en subjectieve elementen
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 20 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de WOZ-waarde van een rijwoning in Eindhoven. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op €448.000 voor het kalenderjaar 2023, een waarde die eiser betwistte en waartegen beroep werd ingesteld.
De heffingsambtenaar onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatierapport van 7 maart 2024, waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast. Hierbij werd de woning vergeleken met vier andere rijwoningen uit dezelfde bouwperiode en met een vergelijkbaar duurzaamheidsniveau. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar hiermee voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met het matige duurzaamheidsniveau en de ligging nabij een speeltuin, wat volgens hem tot een lagere waarde moest leiden. De rechtbank oordeelde dat deze elementen subjectief zijn of onvoldoende concreet waren onderbouwd. De ligging nabij een speeltuin werd als een subjectief element beoordeeld dat niet in de waardering kan worden betrokken.
Verder wees de rechtbank het betoog van eiser af dat de heffingsambtenaar geen onderscheid maakte tussen hoek- en rijwoningen, omdat de woning en de vergelijkingsobjecten allen rijwoningen zijn. Ook de door eiser genoemde alternatieve vergelijkingsobjecten gaven geen aanleiding tot twijfel over de vastgestelde waarde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €448.000 blijft gehandhaafd.