ECLI:NL:RBOBR:2025:971
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en vergelijkingsmethode door rechtbank
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 20 februari 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning uit 1987. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €480.000 voor het jaar 2023, gebaseerd op een taxatierapport waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast met vijf vergelijkingsobjecten. Eiser betwistte deze waarde en voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de staat van de woning, het duurzaamheidsniveau en de ligging nabij een speeltuintje, snelwegen en een agrarisch bedrijf.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De door eiser aangevoerde gebreken, zoals de gedateerde badkamer en het matige duurzaamheidsniveau, waren volgens het taxatierapport en de toelichting van de heffingsambtenaar voldoende meegenomen. Ook de ligging werd beoordeeld: het subjectieve element van overlast door het speeltuintje kon niet worden meegewogen, en de objectieve overlast door snelwegen en agrarisch bedrijf was deels verdisconteerd in de waardering. Het verschil tussen de getaxeerde waarde (€505.000) en de vastgestelde waarde (€480.000) bood voldoende compensatie.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde bleef staan. Eiser kreeg geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €480.000 wordt ongegrond verklaard.