ECLI:NL:RBOBR:2026:1272

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
21/1953
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:25 AwbArt. 3:9 AwbArt. 3:49 AwbArt. 6:19 AwbArt. 1.10 Subsidieregeling Hedendaagse Cultuur Noord-Brabant
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag hedendaagse cultuur na zorgvuldige toetsing tenderprocedure

Eiseres, een maker van crossmediale audiokunst, diende een subsidieaanvraag in voor €540.000 op grond van de Subsidieregeling Hedendaagse Cultuur Noord-Brabant 2021-2024. De aanvraag werd beoordeeld via een tenderprocedure waarbij aanvragen werden gerangschikt op basis van objectieve verdeelcriteria. Eiseres viel met 270 en later 275 punten onder de zaaglijn, waardoor haar aanvraag werd afgewezen vanwege het bereiken van het subsidieplafond.

Na bezwaar en een hoorzitting bleek dat de eerste adviescommissie procedurele gebreken vertoonde, waarna een nieuwe commissie werd ingesteld die de aanvragen opnieuw beoordeelde. Ook deze commissie wees de aanvraag af. Eiseres voerde onder meer aan dat de tenderprocedure niet geschikt was, de verdeelcriteria niet eerlijk, aanvullende informatie niet werd meegenomen, en dat de commissie onvoldoende deskundig was.

De rechtbank oordeelde dat de tenderprocedure geaccepteerd is in vaste rechtspraak en dat de verdeelcriteria objectief en geschikt zijn om verschillende soorten aanvragers te beoordelen. De aanvullende informatie kon niet worden meegenomen omdat deze na de sluitingstermijn was ingediend en de procedure niet wezenlijk was veranderd. De deskundigheid van de commissieleden werd bevestigd door het college en niet betwist door de rechtbank. De rechtbank vond dat het college terecht op het advies van de commissie mocht vertrouwen.

Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard en het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk. Het college moet het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak bevestigt dat het college de subsidieaanvraag terecht heeft afgewezen op grond van het subsidieplafond en de zorgvuldige toepassing van de tenderprocedure.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de subsidieaanvraag wegens het bereiken van het subsidieplafond en de rechtmatige toepassing van de tenderprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 21/1953

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigden: [naam], [naam] en [naam]),
en

het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, het college

(gemachtigden: mr. S. Bouchiba en [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor subsidie op grond van de Subsidieregeling Hedendaagse Cultuur Noord-Brabant, Professionele Kunsten 2021-2024 (de subsidieregeling). Eiseres is het niet eens met die afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de subsidieaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres presenteert wereldwijd crossmediale audiokunst en voorstellingen voor onder andere buitenlocaties, dansproducties, festivals en musea. Eiseres heeft op
30 januari 2020 een aanvraag ingediend voor subsidie op grond vande subsidieregeling voor een bedrag van € 540.000,–.
2.1.
De beoordeling van de subsidieaanvragen heeft plaatsgevonden via een tenderprocedure. Het college heeft de ingediende aanvragen aanvankelijk voor advies voorgelegd aan de Adviescommissie BrabantStad Cultuur. De Adviescommissie BrabantStad Cultuur heeft alle aanvragen beoordeeld en van advies voorzien. Op basis van de verdeelcriteria van artikel 1.12 van de subsidieregeling zijn aan iedere aanvraag punten toegekend. Hierdoor is een rangschikking van de aanvragen tot stand gekomen. Het college heeft de adviezen en de hieruit voortvloeiende rangschikking van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur overgenomen.
2.2.
Het beschikbare subsidiebudget is vervolgens in de volgorde van de rangschikking verdeeld over de aanvragen die volledig gehonoreerd konden worden. Dat waren de aanvragen met een totaalscore van 278 punten en hoger. Daarmee werd het subsidieplafond zoals opgenomen in artikel 1.10, onder k, van de Subsidieregeling van € 11.126.835,– bereikt.
2.3.
In het primaire besluit van 19 juni 2020 heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:25, tweede lid van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) omdat het subsidieplafond van de subsidieregeling is bereikt. In het advies van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur zijn aan eiseres 270 punten toegekend, daarmee viel zij onder de zogenoemde zaaglijn. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar ingediend.
2.4.
Op 21 september 2020 heeft de Adviescommissie BrabantStad Cultuur een aanvullend advies en toelichting gegeven naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres. De Adviescommissie handhaaft daarin haar eerdere advies.
2.5.
Op 30 november 2020 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de Hoor- en Adviescommissie (HAC) over het ingediende bezwaar.
2.6.
Op 7 december 2020 heeft het college aan de HAC laten weten dat een vermoeden van een andere aanvrager dat een van de commissieleden die een familieband heeft met een andere aanvrager van de subsidie en waar tevens sprake zou zijn van zakelijke en/of professionele betrokkenheid bij deze aanvrager, betrokken zou zijn geweest bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van deze aanvrager, correct is. De procedure tot ontslag van dit commissielid is door het college daarop in gang gezet.
2.7.
De HAC heeft het college op 24 december 2020 vervolgens geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. De HAC heeft onder meer geoordeeld dat verslaglegging of notulen van de deelvergaderingen en de slotvergadering in strijd met artikel 8 van Pro het Reglement Adviescommissie BrabantStad Cultuur ontbraken. Daardoor heeft de advisering niet op een transparante en controleerbare manier plaatsgevonden. Daarnaast was volgens de HAC voor partijen niet duidelijk wat de samenstelling was van de deelcommissies. Ook kwam de HAC tot het oordeel dat het advies had moeten worden uitgebracht door de voltalige Adviescommissie BrabantStad Cultuur en niet door diverse deelcommissies. Naar het oordeel van de HAC kon ook de manier waarop in de tenderprocedure invulling was gegeven aan de verplichting om reële mededingingsruimte te bieden en het vereiste van een passende mate van openbaarheid, de toets niet doorstaan. Er was geen duidelijkheid over de toe te passen criteria bij de beoordeling. Verder stelde de HAC vast dat een Adviescommissielid (in)directe betrokkenheid heeft bij een cultuurinstelling waarvoor in de voorliggende tenderprocedure ook subsidie is aangevraagd en uiteindelijk is gehonoreerd. In deze tenderprocedure was geen inzage geboden in de aanvragen die hoger in de rangorde zijn geëindigd dan de aanvraag van eiseres en waren evenmin stukken ter inzage gelegd om de beoordelingen van de Adviescommissie BrabantStad Cultuur van die aanvragen te kunnen controleren. De HAC vond concluderend dan ook dat de procedure van advisering en de totstandkoming van het advies ernstige en wezenlijke gebreken vertoonde en niet op voldoende zorgvuldige wijze was geschied, zodat het college dit advies niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het primaire besluit. De HAC vond daarom ook dat niet kon worden gesteld dat het college heeft voldaan aan de vergewisplicht uit de artikelen 3:9 en 3:49 van de Awb, en dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en gemotiveerd.
2.8.
Gelet op het advies van de HAC heeft het college besloten om de beoordelingsprocedure van de aanvragen in zijn geheel over te doen. Daarvoor heeft het college een nieuwe adviescommissie met nieuwe leden ingesteld: de Adviescommissie professionele kunsten 2021-2024 (Adviescommissie). De Adviescommissie heeft alle subsidieaanvragen opnieuw beoordeeld.
2.9.
Op 27 mei 2021 heeft het college eiseres in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze te geven op het advies van de Adviescommissie en de daarin opgenomen rangschikking. Eiseres heeft daar niet op gereageerd. Uit het advies volgt dat eiseres niet genoeg punten heeft ontvangen om voor toewijzing van subsidie in aanmerking te komen. Eiseres heeft 275 punten behaald. Eiseres is daarmee opnieuw onder de zaaglijn uitgekomen.
2.10.
Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college het standpunt om de aanvraag af te wijzen met een gewijzigde motivering gehandhaafd. Het college wijst de aanvraag opnieuw af op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb, omdat het subsidieplafond is bereikt. Voor de motivering van dat besluit verwijst het college naar het advies van de Adviescommissie. Het college vindt dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het advies en de bijbehorende puntenvaststelling.
2.11.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Het bestreden besluit
2.12.
Naar aanleiding van een uitspraak van deze rechtbank [1] in een zaak van een andere subsidieaanvrager op grond van de subsidieregeling, heeft het college op 8 september 2022 een nieuw besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Het college heeft alsnog inzage gegeven in de verslagen van de Adviescommissie naar aanleiding van die uitspraak. De bezwaren van eiseres zijn gegrond verklaard en het besluit van 2 juli 2021 is ingetrokken. Ook in dit nieuwe besluit wijst het college de aanvraag af onder verwijzing naar artikel 4:25, tweede lid, van de Awb, omdat het subsidieplafond is bereikt. Voor de motivering van dat besluit verwijst het college opnieuw naar het advies van de Adviescommissie. Het college vindt dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het advies en de bijbehorende puntenvaststelling. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres van rechtswege betrekking op dit nieuwe besluit.
2.13.
Het college heeft naast het nemen van het bestreden besluit ook hoger beroep ingediend tegen de uitspraak van de rechtbank in de zaak van een andere aanvrager bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De rechtbank heeft partijen bericht dat de zaak wordt aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in die zaak.
2.14.
De Afdeling heeft op 21 februari 2024 [2] uitspraak gedaan op het hoger beroep van het college. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
2.15.
De rechtbank heeft eiseres en het college gevraagd om een reactie op de uitspraak van de Afdeling en of deze uitspraak nog gevolgen heeft voor het reeds ingediende beroep. Eiseres en het college hebben hier niet op gereageerd.
2.16.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres waren aanwezig: haar gemachtigden en [naam] (Raad van Advies) en [naam] (zakelijk leider), en namens het college zijn gemachtigden. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het college de gelegenheid gegeven om een schriftelijke reactie in te dienen. Die reactie heeft het college op 27 oktober 2025 ingediend. Eiseres heeft daar bij brief van 6 november 2025 op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiseres voor subsidie op grond van de Subsidieregeling heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
Is er procesbelang bij een beoordeling van het ingetrokken besluit van 2 juli 2021?
5. Eiseres heeft aangegeven dat het bestreden besluit niet tegemoet komt aan haar beroep. Het beroep wordt daarom geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit. Omdat niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het ingetrokken besluit van 2 juli 2021, is het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk.
Mocht het college de subsidie verdelen met een tenderprocedure?
6. Eiseres voert allereerst aan dat het college de subsidie niet had mogen verdelen door middel van de tenderprocedure. Eiseres vraagt zich af of een tenderprocedure, waarbij verschillende soorten organisaties worden beoordeeld aan de hand van verdeelcriteria en vervolgens worden gerangschikt, in overeenstemming is met de Awb.
6.1.
De rechtbank wijst op vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 [3] , waaruit volgt dat het gebruik van een tenderprocedure bij het verdelen van subsidiegelden, is toegestaan. De tenderprocedure is geaccepteerd en geschikt bevonden als methode voor de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van subsidieaanvragers. De rechtbank ziet in de enkele stelling van eiseres geen aanknopingspunt voor het oordeel dat die methodiek zich niet zou verdragen met de Awb of andere regelgeving. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de in de subsidieregeling vermelde criteria geschikt om de verschillende soorten aanvragers te beoordelen?
7. Eiseres voert vervolgens aan dat de verdeelcriteria die in deze tenderprocedure zijn gebruikt niet geschikt zijn om verschillende soorten aanvragers te beoordelen en te rangschikken. Volgens eiseres pakken de formulering en invulling van de verdeelcriteria van de subsidieregeling nadelig uit voor de makers van kunst in de puntenwaardering en de daarop gebaseerde ranking ten opzichte van de programma-organisaties. Volgens eiseres is daarom geen of tenminste onvoldoende sprake van gelijke kansen bij de beoordeling aan de hand van de gestelde criteria in het subsidiereglement tussen programma-instellingen en makers. Eiseres stelt dat uit de lijst met de uiteindelijke rangschikking van de verschillende aanvragers blijkt dat de programma-organisaties beter scoren op de criteria die betrekking hebben op zakelijke kwaliteit, publiekswerking en infrastructuur. Eiseres maakt kunst en is internationaal georiënteerd, terwijl programma-organisaties vaak lokaal opereren. Het is voor haar lastiger om een relatie met het publiek op te bouwen dat zich over de hele wereld bevindt, dan voor een lokaal theater met publiek uit de omgeving. Ook is het realiseren van inkomsten eenvoudiger bij een lokaal theater dan bij een internationaal opererend gezelschap. Als een theater voldoende publiek trekt en kaarten verkoopt leidt dat tot eigen inkomsten, terwijl dat voor eiseres ingewikkelder ligt. Zij is afhankelijk van publiek aan de andere kant van de wereld en als een project onderdeel is van een groter geheel worden er soms geen inkomsten gevraagd. Volgens eiseres is sprake van een systeemfout in de opzet van de subsidieregeling.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in artikel 1.12 van de Subsidieregeling objectieve verdeelcriteria zijn opgenomen op basis waarvan de kwaliteit van de verschillende aanvragers kan worden beoordeeld en vergeleken. De rechtbank deelt dit standpunt. Op grond van artikel 1.12 van de Subsidieregeling maakt het college, als de ingediende aanvragen het subsidieplafond overschrijden, voor het bepalen van de onderlinge rangschikking een afweging tussen de aanvragen op basis van de volgende verdeelcriteria:
a. de mate waarin de activiteiten een hoge artistiek-inhoudelijke kwaliteit hebben wat betreft visie, oorspronkelijkheid, vakmanschap en zeggingskracht.
b. de mate waarin de activiteiten hoge zakelijke kwaliteit hebben wat betreft omgevingsbewustzijn en ondernemerschap.
c. de mate waarin de activiteiten publiekswerking hebben of gericht zijn op een specifieke doelgroep, wat betreft binding met het bestaande publiek of de doelgroep en inspanningen voor duurzame opbouw en vernieuwing van publiek of de doelgroep.
d. de mate waarin de activiteiten bijdragen aan een evenwichtige culturele infrastructuur wat betreft spreiding en inhoud in de provincie Noord-Brabant en een bijdrage aan het bovenlokale, regionale of landelijke cultuuraanbod.
7.2.
Bij kunstsubsidies gaat het om objectivering van naar hun aard subjectieve oordelen over de verschillende aanvragers. [4] Met het college is de rechtbank van oordeel dat deze criteria objectief zijn geformuleerd in die zin dat er door verschillende typen organisaties op gescoord kan worden en dat ze daarom geschikt zijn om de verschillende soorten aanvragers te beoordelen. De score van eiseres op deze criteria wordt onderbouwd door de concrete kanttekeningen die de adviescommissie bij die punten heeft vermeld over de aanvraag van eiseres. Zoals het college tijdens de zitting nog heeft toegelicht, miste op een aantal punten verdere uitleg of diepgang in de aanvraag van eiseres. Dat die score te maken heeft met het type organisatie van eiseres en niet met de vermelde kritiekpunten, volgt de rechtbank niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de adviescommissie de door eiseres in bezwaar verstrekte aanvullende informatie in de beoordeling moeten betrekken?
8. Eiseres voert verder aan dat de adviescommissie de aanvullende informatie die eiseres heeft verstrekt tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. Eiseres vindt dat die informatie in dit geval wel moet worden meegenomen, omdat volgens haar hangende de procedure de spelregels zijn veranderd. Zij stelt dat met het instellen van de nieuwe adviescommissie een andere, nieuwe procedure is gestart.
8.1.
Het is vaste rechtspraak [5] dat het bij de beoordeling meenemen van informatie die dateert van ná de sluiting van de aanvraagtermijn zich niet verdraagt met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in een tendersysteem centraal staan. Uit de aard van een tendersysteem vloeit voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overgelegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie die neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag.
8.2.
Dat in dit geval door de instelling van een nieuwe adviescommissie sprake is van een andere procedure met veranderde spelregels, waardoor in afwijking van deze rechtspraak wél rekening moet worden gehouden met na de sluiting ingediende informatie, volgt de rechtbank niet. Zoals het college tijdens de zitting terecht heeft gesteld, is geen sprake van een andere procedure met andere regels. De HAC concludeerde in zijn advies van 24 december 2020 dat de procedure van advisering en de totstandkoming van het advies van BrabantStad Cultuur ernstige en wezenlijke gebreken vertoonde en niet op voldoende zorgvuldige wijze was geschied, zodat het college dit advies niet ten grondslag had mogen leggen aan het primaire besluit. Daarom heeft het college vervolgens besloten om de adviesprocedure opnieuw te doen en is de adviescommissie ingesteld. Daarbij golden hetzelfde subsidieplafond en dezelfde verdeelcriteria. Van een andere procedure met andere regels is dus geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Zijn de leden van de Adviescommissie voldoende deskundig om de uiteenlopende aanvragen te beoordelen?
9. Eiseres voert ook aan dat de leden van de adviescommissie niet voldoende deskundig zijn om de uiteenlopende aanvragen te beoordelen. Uit de profielschetsen van de commissieleden blijkt niet dat zij internationale ervaring hebben.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat uit de profielschetsen van de commissieleden volgt dat meerdere commissieleden uiteenlopende internationale ervaring hebben. In de schriftelijke reactie van 27 oktober 2025 zet het college nader uiteen waaruit die internationale ervaring van drie genoemde commissieleden bestaat.
9.2.
In haar reactie daarop stelt eiseres allereerst dat de brief van het college te laat is en daarom buiten beschouwing moet blijven. Verder zet eiseres nogmaals uiteen waarom zij vindt dat zij zich onderscheidt van programma-organisaties en gaat zij in op haar internationale projecten. Eiseres vindt dat aantoonbare kennis met bewijs of bronvermelding van internationaal opererende makers ontbreekt en handhaaft haar stelling dat de Adviescommissie niet voldoende deskundig is.
9.3.
De rechtbank stelt voorop dat de reactie van het college niet tardief is. Het college had namelijk bij brief van 13 oktober 2025 om uitstel tot 28 oktober 2025 gevraagd, maar om onbekende redenen bereikte die brief de rechtbank pas veel later. Abusievelijk is eiseres niet op dat moment van het uitstelverzoek op de hoogte gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat het betoog dat de Adviescommissie niet voldoende deskundig is niet kan worden gevolgd. Het college heeft terecht gesteld dat meerdere commissieleden aantoonbare uiteenlopende internationale ervaring hebben en de rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de nadere toelichting van die ervaring. Dat, zoals eiseres stelt, die ervaring niet ziet op hetzelfde type organisatie als eiseres, leidt niet tot de conclusie dat de Adviescommissie niet voldoende deskundig is. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college uit kunnen gaan van de inhoud van het advies van de Adviescommissie over eiseres?
10. Eiseres is het ten slotte niet eens met een aantal concrete passages in het advies van de Adviescommissie over de beoordeling van de zakelijke kwaliteit. Het college heeft de Adviescommissie gevraagd om een reactie op die passages. In de punten 8.2, 8.3 en 8.4 en 8.5 zullen de verschillende passages worden besproken.
10.1.
Vaste rechtspraak over kunstsubsidies is dat als een bestuursorgaan zich bij zijn besluitvorming laat adviseren door een deskundige, als algemeen uitgangspunt geldt dat het bestuursorgaan op het advies van de deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de betrokkene over het advies heeft aangevoerd. Het gaat erom dat de aanvrager in voldoende mate inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die aan het gevolgde advies ten grondslag ligt. De aard van artistieke kwaliteitsoordelen brengt met zich dat de bestuursrechter de adviezen van de adviescommissie slechts terughoudend kan toetsen. Bij kunstsubsidies gaat het – zoals ook al eerder in deze uitspraak overwogen – om objectivering van naar hun aard subjectieve oordelen die zich niet eenvoudig in woorden laten (samen)vatten, daarom kunnen aan een advies slechts beperkte motiveringseisen worden gesteld. [6]
10.2.
Eiseres is het niet eens met de passage
“de commissie vindt de keuze om de hoeveelheid commerciële opdrachten terug te brengen niet getuigen van proactief ondernemerschap.”Volgens eiseres is het voor kunstenaars de bedoeling dat ze zich kunnen bezighouden met de artistieke inhoud en de ontwikkeling daarvan en is juist daarom subsidie aangevraagd. De Adviescommissie heeft hierover gezegd dat ze het standpunt handhaven dat door het terugbrengen van het aantal commerciële opdrachten de subsidieafhankelijkheid wordt vergroot. Volgens de Adviescommissie is ook voor commerciële opdrachten aandacht voor artistieke inhoud en de ontwikkeling daarvan noodzakelijk die door inkomsten via die opdrachten mede bekostigd zouden kunnen worden. Dit standpunt is door het college tijdens de zitting onderschreven.
10.3.
Eiseres is het ook niet eens met de passage
“de commissie vindt het aantal fte’s aan de hoge kant”. Die fte’s zijn voor de twee componisten en een persoon voor organisatie, acquisitie en zakelijke leiding en dat is nodig voor een organisatie die al jaren wereldwijd projecten realiseert. De Adviescommissie heeft in haar reactie erop gewezen dat het citaat onvolledig is en dat in het advies staat
“Het aantal fte’s vindt de commissie – in verhouding tot de plannen – aan de hoge kant.”Juist die weggelaten zinsnede vindt de Adviescommissie cruciaal. Ook op dit punt onderschrijft het college de reactie van de Adviescommissie.
10.4.
Als laatste punt noemt eiseres de passage
“Ook de begrote kosten voor de marketingactiviteiten noemt ze tamelijk hoog”. Eiseres is het niet eens met die passage en wijst erop dat zij van het Fonds voor de podiumkunsten een extra bijdrage van € 50.000,– heeft gekregen voor het programma internationale promotie en dat daar het belang van internationale marketing juist wordt onderstreept. De Adviescommissie is niet expliciet op deze passage ingegaan, maar heeft wel opgemerkt dat zij zich niet uitlaat over oordelen van andere beoordelingscommissies.
10.5.
Met inachtneming van het hiervoor in 8.1. vermelde terughoudende toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat het college heeft voldaan aan haar vergewisplicht door de Adviescommissie om een reactie te vragen op de genoemde passages en dat het college uit heeft mogen gaan van de inhoud van het advies van de Adviescommissie. Deze beroepsgrond slaagt ten slotte ook niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep tegen het ingetrokken besluit van 2 juli 2021 is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen en dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het besluit van
2 juli 2021 hangende de beroepsprocedure is ingetrokken en vervangen door het bestreden besluit, ziet de rechtbank aanleiding om het betaalde griffierecht te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het ingetrokken besluit van
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • bepaalt dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 360,– moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzitter, en
mr. H.M.H. de Koning, en mr. M. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. V. Vonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 9 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2407.
4.Uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1233.
5.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:408, van 15 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2654, en van 26 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8283.
6.Zie noot 4 en de uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA4609 en 24 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF2509.