ECLI:NL:RBOBR:2026:1303

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
24/1674
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:75 AwbWet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheidspercentage en WIA-uitkering na toegenomen klachten

Eiseres ontvangt sinds 2008 een WIA-uitkering wegens psychische en fysieke klachten en stelt dat haar beperkingen sinds 2020 zijn toegenomen, waardoor zij een hogere uitkering wenst. Het UWV heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage meerdere malen vastgesteld en aangepast, waarbij het laatste besluit het percentage op 70,59% stelt.

De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiseres, waaronder vermeende onderschatting van beperkingen door het UWV, toegenomen nek-, schouder-, duizeligheidsklachten, dunnevezelneuropathie, psychische klachten en de wens tot een verdere urenbeperking. De medische rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen zijn uitgebreid bestudeerd.

De rechtbank concludeert dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat zijn meegenomen in de beoordeling. De vermeende toename van klachten na de datum in geding (1 juni 2022) is onvoldoende onderbouwd om het arbeidsongeschiktheidspercentage te wijzigen. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige wordt afgewezen.

Het beroep tegen eerdere besluiten wordt niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het laatste besluit ongegrond. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt aan eiseres vergoed. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 70,59% wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/1674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.J.W.C. Lipman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het UWV de uitkering van eiseres op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA) terecht heeft vastgesteld op 70,59%. Eiseres is het hier niet mee eens en zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht heeft vastgesteld op 70,59%. Eiseres krijgt dus ongelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Bij het besluit van 28 februari 2022 heeft het UWV eiseres haar loongerelateerde WGA [1] -uitkering per 1 juni 2022 omgezet in een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 41,55%, en daarmee een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
2.1.
Met het besluit van 5 februari 2024 (het bestreden besluit 1) heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 41,64%. De uitkering blijft daarmee ongewijzigd gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
2.3.
Tijdens de beroepsprocedure heeft het UWV op 9 september 2024 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit 2). Het bezwaar wordt gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd naar 73,03%, waardoor de uitkering wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.
2.4.
Eiseres heeft aangegeven zich niet te kunnen vinden in dit nieuwe besluit.
2.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Het UWV heeft op 2 juli 2025 nogmaals een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit 3). Het arbeidsongeschiktheidspercentage is aangepast naar 70,59%.
2.6.
Eiseres heeft aangegeven het ook niet eens te zijn met het bestreden besluit 3.
2.7.
Het UWV heeft hierop gereageerd met een aanvullend verweerschrift en een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar & beroep (B&B) en de arbeidsdeskundige B&B.
2.8.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Relevante feiten

3. Eiseres ontvangt sinds 3 januari 2008 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wegens psychische en fysieke klachten. Zij werd toen volledig (100%) arbeidsongeschikt geacht.
3.1.
Eiseres heeft zich op 10 november 2019 bij het UWV gemeld wegens toegenomen psychische en fysieke klachten. Eiseres is namelijk van mening dat zij niet alleen volledig arbeidsongeschikt is, maar dat deze arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is. Ze wil daarom een IVA-uitkering ontvangen (Inkomensverzekering voor Volledig en duurzame Arbeidsongeschikten). Naar aanleiding van deze melding heeft het UWV verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 7 mei 2020 vastgesteld op 41,04%. Eiser is hiertegen in bezwaar en beroep gekomen, welk beroep is geregisterd onder zaaknummer 20/3787. Bij uitspraak van 28 juli 2022 [2] is het beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep heeft het beroep van eiseres met de uitspraak van 30 januari 2025 [3] ongegrond verklaard.
3.2.
Het UWV heeft beoordeeld of eiseres per 1 juni 2022 nog in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering. Omdat eiseres minder dan de helft verdient van het bedrag dat eiseres volgens de arbeidsdeskundige kan verdienen, is de uitkering omgezet in een WGA-vervolguitkering. Dat heeft geleid tot de besluitvorming die onder het kopje ‘Procesverloop’ is weergegeven.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres op juiste gronden heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De beroepen tegen de besluiten van 5 februari 2024 en 9 september 2024
5. De rechtbank stelt vast dat het UWV in beroep het bestreden besluit 1 en 2 heeft gewijzigd. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit 3 niet geheel tegemoetkomt aan het beroep tegen het bestreden besluit 1 en 2 en dat het beroep daarom op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede is gericht tegen het bestreden besluit 3.
5.1.
Er is niet gebleken dat eiseres nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit 1 en 2. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit 1 en 2 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Het beroep tegen het besluit van 2 juli 2025
Standpunten van partijen
6. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres per 1 juni 2022 in aanmerking komt voor een vervolguitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Het UWV is bekend dat eiseres psychische en lichamelijke klachten heeft. Eiseres is vanwege haar energetische tekorten aangewezen op een urenbeperking van 6 uur per dag, 30 uur per week. Eiseres is met haar beperkingen zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 september 2024 geschikt voor de functies coupeuse (SBC-code 272042), teamondersteuner (SBC-code 315100) en montagemedewerker/bestukker (SBC-code 111180). Vergelijking van het inkomen dat zij in deze functies kan verdienen met het inkomen dat eiseres eerder verdiende, leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 70,59%.
7. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij stelt dat haar beperkingen zijn onderschat en dat haar beperkingen sinds 7 mei 2020 alleen maar zijn toegenomen. Dat blijkt uit de rapportage van verzekeringsarts M.M. Wolff-van der Ven (hierna: Wolff-van der Ven) van 21 maart 2024 die is opgesteld in het kader van de hoger beroepszaak bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De duizeligheidsklachten, de psychische klachten en de nek- en schouderklachten zijn verergerd. Daarnaast is er geen rekening gehouden met de diagnose dunnevezelneuropathie. Volgens eiseres moet een verdergaande urenbeperking worden aangenomen op energetische en preventieve gronden. Zij verwijst daarbij naar de rapportages van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts M.J. Gerritze van Triage (hierna: Gerritze).
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
8. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat de verzekeringsartsen voldoende op de hoogte waren van de door eiseres gestelde lichamelijke en psychische klachten. Uit de rapportage van de primaire arts blijkt dat er een spreekuurcontact met een arts heeft plaatsgevonden en dat de arts de klachten van eiseres en het dagverhaal heeft uitgevraagd. Ook heeft de arts lichamelijk onderzoek en observerend psychisch onderzoek verricht. De rapportage bevat verder een weergave van alle medische informatie. Uit de rapportage in bezwaar blijkt dat de verzekeringsarts B&B in bezwaar een dossierstudie heeft verricht en dat zij kennis heeft genomen van de bezwaargronden van eiseres. Ook heeft de verzekeringsarts B&B eiseres gezien op het spreekuur van 2 februari 2024 en zij heeft eiseres aanvullend onderzocht. De verzekeringsarts B&B heeft de in bezwaar ontvangen medische gegevens bestudeerd en meegewogen in de rapportage. De medische overwegingen in de rapportage zijn begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden. Verder heeft de verzekeringsarts B&B in de beroepsfase de rapportage van verzekeringsarts Wolff-van der Ven van 21 maart 2024 die is opgesteld in het kader van de hoger beroepszaak bij de CRvB en de aanvullende medische stukken van eiseres meegewogen in haar (aanvullende) beoordeling.
De medisch inhoudelijke beoordeling
9. De datum die in deze zaak van belang is, is 1 juni 2022 (datum in geding).
10. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met wat zij heeft aangevoerd geen twijfel heeft doen ontstaan aan de juistheid van de besluitvorming door het UWV. De rechtbank licht dat als volgt toe.
11. Het UWV is ermee bekend dat eiseres zowel fysieke als psychische klachten heeft. De primaire arts heeft geconcludeerd dat eiseres beschikt over benutbare mogelijkheden, maar dat er wel beperkingen in de fysieke en psychische belastbaarheid zijn. In de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juli 2023 zijn daarom beperkingen aangenomen in alle rubrieken. De verzekeringsarts B&B heeft naar aanleiding van haar onderzoek verdergaande beperkingen aangenomen en heeft deze neergelegd in de FML van 2 februari 2024. Naar aanleiding van de rapportage in het kader van de hoger beroepszaak bij de CRvB heeft de verzekeringsarts B&B aanleiding gezien de belastbaarheid per 1 juni 2022 te herzien. Om die reden is er op 16 september 2024 een nieuwe FML opgesteld.
12. Eiseres stelt dat haar beperkingen zijn onderschat. Volgens verzekeringsarts Wolff-van der Ven, ingeschakeld in de hoger beroepszaak bij de CRvB, zijn de beperkingen van eiseres na de datum in geding in die zaak (7 mei 2020) verder toegenomen. Haar hoofd kan ze niet of nauwelijks bewegen en ook kan zij nauwelijks op en neer bewegingen maken. Ook zijn haar duizeligheidsklachten, de klachten aan haar voeten en haar psychische klachten verergerd. Hieronder zal de rechtbank per onderdeel ingaan op wat eiseres heeft aangevoerd over deze klachten.
De nek- en schouderklachten
13. Eiseres stelt dat er zwaardere beperkingen moeten worden aangenomen, met name op het punt van hoofdbewegingen. De klachten aan haar nek en schouder zijn namelijk verder toegenomen. Zij kan haar hoofd niet of nauwelijks bewegen en ook kan zij nauwelijks op en neer bewegingen maken. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de rapportage van verzekeringsarts Gerritze van 3 januari 2022, waarin meerdere beperkingen zijn aangenomen.
13.1.
De verzekeringsarts B&B stelt zich op het standpunt dat er voldoende rekening is gehouden met de nek- en schouderklachten van eiseres. De klachten zijn met name het gevolg van verhoogde spierspanningen, waarvoor het juist goed is om in beweging te blijven. Door beperkingen aan te nemen op diverse items is er voldoende tegemoet gekomen aan de klachten van eiseres.
13.2.
De rechtbank volgt het standpunt van de verzekeringsarts B&B dat er voldoende rekening is gehouden met de klachten van eiseres. Verzekeringsarts Gerritze heeft in het kader van de hoger beroepsprocedure bij de CRvB – dat ziet op de medische situatie van eiseres op 7 mei 2020 – verdergaande beperkingen aangenomen. De door de CRvB ingeschakelde verzekeringsarts Wolff-van der Ven heeft deze verdergaande beperkingen echter niet overgenomen. Uit de medische stukken volgt verder niet dat er sprake is van een toename van de klachten ten opzichte van de situatie op 7 mei 2020. Daarbij overweegt de rechtbank dat in het patiëntdossier van de fysiotherapeut bij de behandelingen van 7 oktober 2021 en 21 oktober 2021 staat omschreven dat het nek- en schoudergebied redelijk stabiel is en dat eiseres beter kan omgaan met de pijn. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat de nek- en schouderklachten van eiseres zijn toegenomen. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Duizeligheidsklachten
14. Eiseres stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar duizeligheidsklachten. Deze zijn sinds 7 mei 2020 verergerd, zoals wordt bevestigd door verzekeringsarts Wolff-van der Ven in haar rapportage van 21 maart 2024. Eiseres ervaart sindsdien heftige aanvallen. Eiseres is tevens bij een KNO-arts geweest die haar heeft doorverwezen naar een fysiotherapeut. Deze fysiotherapeut heeft bevestigd dat haar klachten zijn toegenomen.
14.1.
De verzekeringsarts B&B stelt zich op het standpunt dat de toename van de duizeligheidsklachten op de datum in geding nog niet aan de orde was. Uit het huisartsenjournaal blijkt namelijk dat de toename van de klachten in versnelling is gekomen in augustus 2022. Dit maakt dat de aanvallen op de datum in geding van dusdanig laag frequente aard waren dat de gestelde beperkingen voldoende tegemoetkomen aan de problematiek.
14.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de rapportage van verzekeringsarts Wolff- van der Ven van 21 maart 2024. In deze rapportage merkt Wolff-van der Ven op dat de duizeligheidsklachten van eiseres na de datum in geding van 7 mei 2020 verder zijn toegenomen. Zoals blijkt uit de rapportage van de verzekeringsarts van 2 februari 2024, zijn partijen het met elkaar eens dat de duizeligheidsklachten zijn toegenomen. Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of er op de datum in geding van 1 juli 2022 al sprake was van een toename van duizeligheidsklachtklachten. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de toename van de duizeligheidsklachten op 1 juli 2022 al speelde. In de rapportage van Wolff-van der Ven, dat dateert uit maart 2024, wordt niet aangegeven vanaf wanneer er sprake is van een toename van de duizeligheidsklachten. Bovendien laat verzekeringsarts Wolff-van der Ven in haar rapportage zich niet uit over de toestand van eiseres op 1 juni 2022. Hierdoor is er uit de rapportage niet af te leiden dat de toename al speelde op 1 juni 2022. Verder blijkt uit het dossier dat eiseres al jaren last heeft van de duizeligheid. De duizeligheid verergert geleidelijk en haar aanvallen worden frequenter. Uit de journaalregels van de huisarts blijkt dat eiseres zich vanaf augustus 2022 heeft gemeld met een toename van de duizeligheidsklachten. Daarnaast blijkt uit de brief van de KNO-arts van 24 oktober 2023 dat de eiseres vanaf die datum een toename van klachten ervaart. Daardoor kan de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts B&B volgen dat de toename van de duizeligheidsklachten op de datum in geding nog niet aan de orde was. De beroepsgrond slaagt niet.
De klachten aan de voeten
15. Eiseres stelt dat de klachten aan haar voeten zijn verergerd ten opzichte van de situatie op 7 mei 2020. Eiseres is sindsdien gediagnostiseerd met dunnevezelneuropathie. Met deze dunnevezelneuropathie is geen rekening gehouden, omdat eerder alleen rekening is gehouden met een verdenking van dunnevezelneuropathie. Eiseres verwijst naar een brief van neuroloog P.P.A. Lenssen van 13 januari 2026, waarin door de neuroloog wordt aangegeven dat eiseres, gelet op haar huidige klachten, zwaarder beperkt is.
15.1.
De verzekeringsarts B&B stelt zich op het standpunt dat er voldoende rekening is gehouden met de klachten aan eiseres haar voeten en de diagnose dunnevezelneurotherapie. De verzekeringsarts B&B heeft in haar rapportage van 2 februari 2024 toegelicht dat er, ondanks dat de klachten beperkt geobjectiveerd zijn, voldoende consistentie in klachtenaangifte is om tot beperkingen te komen. In de rapportage van 14 oktober 2025 heeft de verzekeringsarts B&B verder toegelicht dat er hierdoor al rekening is gehouden met de diagnose dunnevezelneuropathie.
15.2.
De rechtbank kan de toelichting van de verzekeringsarts B&B volgen. De verzekeringsarts B&B heeft, ondanks dat ten tijde van haar onderzoek de diagnose dunnevezelneuropathie nog niet was gesteld, aanvullende beperkingen aangenomen ten opzichte van de beperkingen zoals die bij de eerdere beoordeling per 7 mei 2020 zijn vastgesteld. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de dunnevezelneuropathie. In de door eiseres verstrekte brief van neuroloog P.P.A. Lenssen wordt opgemerkt dat hij, gezien de huidige klachten, het eens is met de stelling van eiseres dat zij zwaarder beperkt is. De rechtbank overweegt dat de behandelende sector zich voornamelijk kan en mag uitlaten over de diagnose, prognose, behandeling en leefregels en de behandelende sector is dan ook niet deskundig om zich uit te laten over arbeidsbeperkingen. Daarnaast heeft de neuroloog zich in de brief niet uitgelaten over welke beperkingen er zijn en per welke datum sprake is van zwaardere beperkingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de neuroloog zich uitlaat over de medische situatie van eiseres op 13 januari 2026 en daarmee ziet de informatie van de neuroloog op de medische situatie van eiseres van ruim na de datum in geding. De beroepsgrond slaagt niet.
Psychische klachten
16. Eiseres voert aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met de toegenomen psychische klachten. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de rapportage van verzekeringsarts Wolff-van der Ven, waarin wordt opgemerkt dat er aanwijzingen zijn dat er na de datum in geding (7 mei 2020) een toename van de psychische klachten aan de orde kan zijn geweest, gelet op de omstandigheden dat er eind 2020 extra afspraken zijn gemaakt bij de psycholoog voor EMDR en dat eiseres in 2021 een nieuwe aanrijding heeft meegemaakt. Daarnaast heeft eiseres inmiddels een intake gehad bij GGz-Oost Brabant, omdat een behandeling binnen de basis GGz ontoereikend is. Eiseres is doorverwezen naar Phitaal.
16.1.
De verzekeringsarts B&B stelt zich op het standpunt dat er voldoende rekening is gehouden met de psychische klachten van eiseres met de gestelde beperkingen. Het beeld komt overeen met de situatie in mei 2020. Er zijn geen gegevens die wijzen op een ander of ernstiger beeld. Ook de behandeling wijst niet op een toename van de ernst. De begeleiding is afgeschaald en de psychomedicatie is al jaren gelijk. In de rapportage van 14 oktober 2025 heeft de verzekeringsarts B&B verder toegelicht dat het gegeven dat eiseres inmiddels een intake bij de GGz heeft gehad omdat intensievere behandeling noodzakelijk werd geacht dit niet anders maakt, omdat dit gebeurtenissen betreffen van na datum in geding. Ter zitting heeft het UWV tevens gewezen op de brief van 27 oktober 2022 van sociaal psychiatrisch verpleegkundige F.E. Frederiks-Brugman, waarin wordt opgemerkt dat eiseres in 2021 een viertal EMDR sessies heeft gehad waarmee de klachten aanzienlijk verlaagd werden. Het doel van deze behandeling was het behoud van stabiliteit en dit is, na enige aanpassing van de medicatie in 2021, grotendeels gelukt. Dit maakt dat er geen aanleiding is om bij eiseres om verdergaande beperkingen aan te nemen, aldus het UWV.
16.2.
De rechtbank kan het standpunt van eiseres niet volgen. Verzekeringsarts Wolff-van der Ven geeft in haar rapportage aan dat sprake is van een toename van haar beperkingen, maar haar onderzoek is verricht op 15 maart 2024 en heeft betrekking op de medische situatie van eiseres op 7 mei 2020. De rapportage zegt daardoor niets over de medische situatie van eiseres op 1 juni 2022. Verder overweegt de rechtbank dat uit de brief van 27 oktober 2022 van sociaal psychiatrisch verpleegkundig F.E. Frederiks-Brugman volgt dat eiseres stabiel is en dat de klachten aanzienlijk verlaagd zijn, wat in een andere richting wijst dan de conclusie van verzekeringsarts Wolff-van der Ven. Tevens kan de rechtbank uit het gegeven dat eiseres recent een intake heeft gehad bij de Centiv Gereralistische Basis GGz en de doorverwijzing naar Phitaal niet afleiden dat er rondom de datum in geding sprake was van een toename van haar psychische klachten. Deze informatie ziet op behandelingen die ruim na de datum in geding zijn aangevangen. Er is de rechtbank niet gebleken dat de beperkingen vanwege eiseres haar psychische klachten onvoldoende toereikend zijn.
Urenbeperking
17. Eiseres stelt zich op het standpunt dat een verdergaande urenbeperking op basis van energetische en preventieve gronden op zijn plaats is. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiseres naar de diverse rapportages van de door haar ingeschakelde verzekeringsarts Gerritze. Verzekeringsarts Gerritze heeft een urenbeperking aangenomen van 2 uur per dag, 10 uur per week. Hierbij is het van belang dat zij de 2 uur per dag op haar zelf aan te geven momenten kan verrichten. Daarnaast is er bij eiseres de diagnose Primaire Biliaire Cholangitis (PBC) vastgesteld, wat gepaard gaat met vermoeidheid. Eiseres verwijst daarbij naar de brief van MDL-arts M.A. van Dijk van 9 april 2025. Eiseres heeft op de zitting verder toegelicht dat de vermoeidheid die met de PBC gepaard gaat niet afhankelijk is van het stadium van de ziekte, zoals de verzekeringsarts B&B aangeeft. Ook in de beginfase is sprake van vermoeidheid.
17.1.
De verzekeringsarts B&B heeft een urenbeperking aangenomen van 6 uur per dag, 30 uur per week. De verzekeringsarts B&B heeft in haar rapportage van 14 oktober 2025 toegelicht dat het maar de vraag is of de vastgestelde PBC ook al op 1 juni 2022 aanwezig was. Het betreft een progressief beeld waarbij de progressie soms zeer traag optreedt. Dit maakt dat op 1 juni 2022 ofwel geen sprake was van de PBC of de situatie niet erger was dan beschreven door de MDL-arts. Het betreft daarmee op zijn hoogst een beginnend beeld. Daarnaast komt vermoeidheid voor bij dit beeld, maar dit maakt niet direct dat PBC de oorzaak is van de ervaren vermoeidheid in 2022. De aangenomen urenbeperking is daardoor toereikend bij de spelende problematiek, aldus de verzekeringsarts B&B.
17.2.
De rechtbank kan de verzekeringsarts B&B volgen in haar standpunt dat er voldoende rekening is gehouden met de vermoeidheid van eiseres. Uit de brief van de MDL-arts blijkt dat eiseres in 2025 is gediagnostiseerd met PBC. Deze informatie ziet op de medische situatie van eiseres van drie jaar na de datum in geding en gelet op het gegeven dat de ziekte een progressieve ziekte is waarbij de progressie langzaam optreedt kan de rechtbank niet opmaken dat er op de datum in geding al sprake was van een toegenomen vermoeidheid. De stelling van eiseres dat de verzekeringsarts B&B heeft opgemerkt dat de vermoeidheid die met de PBC gepaard gaat afhankelijk is van het stadium van de ziekte, treft geen doel. Dit heeft de verzekeringsarts B&B namelijk niet meegewogen in haar beoordeling. Uit de brief van de MDL-arts blijkt tevens dat de vermoeidheid niet geheel te linken is aan de PBC. Een evidente wijziging in medische grondslag van de vermoeidheid is niet naar voren gekomen in de stukken in de periode tussen 7 mei 2020 en 1 juni 2022. Verder kan de rechtbank het standpunt van eiseres dat er een urenbeperking moet worden aangenomen op preventieve gronden niet volgen. Gelet op de uitleg die hieraan wordt gegeven in de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid ziet de rechtbank hier geen aanleiding voor. De beroepsgrond slaagt niet.
18. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Omdat er geen twijfel bestaat aan de beoordeling van de verzekeringsarts B&B, ziet de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
De arbeidskundige kant van de zaak
19. Volgens eiseres kan ze de functies die de arbeidsdeskundigen voor hebben geselecteerd niet uitvoeren. De arbeidsdeskundigen van het UWV gaan bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid uit van de beperkingen die de verzekeringsartsen in de FML hebben vastgelegd. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld, heeft de verzekeringsarts B&B de belastbaarheid juist weergegeven. De arbeidsdeskundige B&B mocht daarom bij het bepalen van de functies uitgaan van deze beperkingen. De arbeidsdeskundige B&B heeft voldoende adequaat gemotiveerd waarom deze functies geschikt zijn en de rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen.
Het verzoek om schadevergoeding
20. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding. Van een onrechtmatigheid op basis waarvan het UWV schadevergoedingsplichtig zou zijn, is niet gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en 2 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit 3 is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
22. Nu het UWV naar aanleiding van het beroep een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is aangepast, ziet de rechtbank wel aanleiding het UWV met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-). De rechtbank wijst erop dat het UWV in het bestreden besluit 3 heeft aangegeven dat het griffierecht wordt vergoed na de uitspraak van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 en 2 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. Kool, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Rechtbank Oost-Brabant 28 juli 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:3042.
3.Centrale Raad van Beroep 30 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:180.