ECLI:NL:RBOBR:2026:1714

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
25/1002
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AwirArt. 9 Uitvoeringsregeling AwirArt. 26 AwirArt. 3:4 AwbArt. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening en terugvordering voorschot huurtoeslag wegens overschrijding vermogensgrens

Eiseres maakte bezwaar tegen de herziening van haar voorschot huurtoeslag over 2024 naar € 0 en de terugvordering van € 3.644. De Dienst Toeslagen had het voorschot herzien omdat het vermogen van eiseres op 1 januari 2024 hoger was dan de wettelijke vermogensgrens van € 36.952.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Het vermogen van eiseres bedroeg op de peildatum € 37.175,71, wat de vermogensgrens overschrijdt. De rechtbank stelt dat de Dienst Toeslagen terecht het voorschot heeft herzien en dat de terugvordering niet onevenredig is. De vermeende schending van het hoorrecht wordt verworpen omdat eiseres tijdens een telefonisch contact heeft afgezien van een hoorzitting.

Verder is het evenredigheidsbeginsel niet geschonden. De rechtbank verwijst naar de wettelijke regeling en beleidsregels die geen uitzondering maken voor overschrijding van de vermogensgrens. Ook de financiële situatie van eiseres rechtvaardigt geen matiging van de terugvordering. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van het voorschot huurtoeslag 2024 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1002

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. M. Akka en mr. H. Nieuwendijk).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening van haar voorschot huurtoeslag over het belastingjaar 2024 naar € 0 en de daardoor ontstane terugvordering van € 3.644.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep van eiseres ongegrond, omdat de Dienst Toeslagen het voorschot huurtoeslag over het belastingjaar 2024 terecht heeft herzien. Het vermogen van eiseres was op 1 januari 2024 namelijk hoger dan de vermogensgrens. Er zijn ook geen redenen om de terugvordering te matigen.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij zijn besluiten van 19 oktober 2024 en 23 oktober 2024 gebleven. In die besluiten heeft de Dienst Toeslagen het voorschot huurtoeslag voor het jaar 2024 herzien naar € 0 en heeft de Dienst Toeslagen een bedrag van € 3.644 aan voorschot huurtoeslag 2024 teruggevorderd.
2.1.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het besluit

3. Met het besluit van 28 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres voor het jaar 2024 een voorschot huurtoeslag toegekend van € 4.357. De Dienst Toeslagen heeft dit gebaseerd op een door hemzelf geschat toetsingsinkomen van eiseres over 2024 van € 22.165.
3.1.
Met het besluit van 22 juni 2024 heeft de Dienst Toeslagen het voorschot huurtoeslag herzien naar € 4.371.
3.2.
Met het besluit van 23 oktober 2024 heeft de Dienst Toeslagen het voorschot huurtoeslag herzien naar € 0. In het besluit van 19 oktober 2024 heeft de Dienst Toeslagen € 3.644 aan teveel ontvangen huurtoeslag teruggevorderd van eiseres.
3.3.
Met het besluit van 26 maart 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen de besluiten van 19 oktober 2024 en 23 oktober 2024 gehandhaafd. Dit is het besluit waartegen eiseres beroep heeft ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de huurtoeslag over 2024 terecht heeft herzien naar € 0. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of er aanleiding bestaat om de terugvordering van de huurtoeslag over 2024 geheel of gedeeltelijk te matigen.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
6. Eiseres stelt dat zij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord. Daarnaast vindt zij dat de terugvordering ten onrechte niet is getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Zij vindt dat rekening had moeten worden gehouden met de omstandigheid dat haar banksaldo door toedoen van de Dienst Toeslagen hoger was dan de vermogensgrens. In december 2023 heeft zij namelijk een voorschot van € 486 aan huur- en zorgtoeslag ontvangen voor januari 2024. Daardoor kwam het saldo op haar bankrekening op een bedrag van € 37.175,71 uit, waardoor ze boven de vermogensgrens van € 36.952 uitkwam. Achteraf blijkt dat eiseres geen recht had op dit voorschot. Eiseres stelt dat de uitvoeringspraktijk van de Dienst Toeslagen, waarbij voorschotten die betrekking hebben op een later tijdvak in een eerder belastingtijdvak worden betaald, resulteert in een potentiële benadeling van belanghebbenden. Daarom moet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Tot slot is zij van mening dat zij boven het zogeheten drempelbedrag van € 3.700 voor schulden [1] uitkomt, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de schuld aan de Dienst Toeslagen van € 3.644.
7. De Dienst Toeslagen stelt dat de huurtoeslag van eiseres over 2024 terecht is herzien naar € 0. De inkomensgegevens van eiseres over 2024 waren weliswaar nog niet bekendgemaakt door de Inspecteur van de Belastingdienst, maar uit het door eiseres overgelegde rekeningafschrift blijkt dat haar vermogen op 1 januari 2024 € 37.175,71 bedroeg. Dit is boven de vermogensgrens van € 36.952. De Dienst Toeslagen wijst erop dat zo lang het inkomensgegeven nog niet bekend is, ook nog niet duidelijk is of eiseres boven of onder de schuldendrempel van € 3.700 komt. De Dienst Toeslagen stelt daarnaast dat er geen sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. In artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen staat de mogelijkheid om af te wijken van artikel 7, derde en vierde lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), maar in het geval een vermogensgrens wordt overschreden, zoals in het geval van eiseres, is hier geen uitzondering voor gemaakt. De Dienst Toeslagen verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 maart 2010. [2] Verder merkt de Dienst Toeslagen op dat bij het verlenen van het voorschot in eind 2023 nog niet bekend was dat er sprake was van een te hoog vermogen. Eiseres heeft zelf ook haar toeslagen niet beëindigd. Conform de aanvraag kreeg eiseres dus ook eind 2023 haar toeslagen uitbetaald om haar tegemoet te zien in de kosten voor het huren van haar woning en het betalen van haar zorgverzekering. Daarbij is geen sprake van enige onevenredigheid. De Dienst Toeslagen ziet geen aanleiding voor het matigen van het terug te vorderen bedrag van € 3.644. Tot slot stelt de Dienst Toeslagen dat het hoorrecht niet is geschonden. De Dienst Toeslagen heeft namelijk op 4 maart 2025 telefonisch contact met eiseres gehad en daarin heeft zij aangegeven dat zij afziet van een hoorzitting.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
Het hoorrecht in de bezwaarfase
8. Uit artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de Dienst Toeslagen een belanghebbende in de gelegenheid stelt om te worden gehoord, voordat er een beslissing op het bezwaar wordt genomen. Uit artikel 7:3, onder c, van de Awb volgt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als de belanghebbende verklaart geen gebruik te willen maken van het hoorrecht. De Dienst Toeslagen heeft in de bezwaarfase contact opgenomen met eiseres, omdat haar gemachtigde onbereikbaar was. Uit de gespreksnotitie van het telefoongesprek dat de Dienst Toeslagen op 4 maart 2025 met eiseres heeft gevoerd, blijkt dat eiseres heeft aangegeven dat zij geen behoefte meer had aan een hoorzitting. Eiseres heeft op de zitting aangegeven dat wat in de gespreksnotitie staat juist is, maar dat zij zich achteraf misleid heeft gevoeld. Tijdens het telefoongesprek gaf de medewerker van de Dienst Toeslagen haar namelijk het gevoel dat een hoorzitting in haar geval geen toegevoegde waarde had. De rechtbank ziet in de telefoonnotitie, waarvan eiseres op de zitting heeft aangegeven dat die inhoudelijk juist is, geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres tijdens dit telefoongesprek zou zijn misleid. De rechtbank oordeelt daarom dat het hoorrecht niet is geschonden, omdat eiseres heeft afgezien van de mogelijkheid om te worden gehoord.
De herziening van de huurtoeslag
9. In de wet waarin algemene regels over de toeslagen zijn opgenomen (de Awir) is bepaald wanneer iemand op basis van zijn inkomen en vermogen recht heeft op toeslagen. In artikel 7, derde lid, van de Awir, zoals deze bepaling luidde in 2024, is – verkort weergegeven, geregeld dat geen recht bestaat op een toeslag als de rendementsgrondslag aan het begin van het berekeningsjaar meer dan € 36.952 bedraagt. De rendementsgrondslag is het vermogen (banktegoeden en overige bezittingen die meetellen) minus (aftrekbare) schulden.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het afschrift van de bankrekening van eiseres blijkt dat haar vermogen op de peildatum 1 januari 2024 € 37.175,71 bedroeg. Dit is boven de rendementsgrondslag. Of eiseres achteraf bezien geen recht had op bestanddelen van dit bedrag speelt hierbij geen rol, nog daargelaten of dit hier het geval is.
9.2.
Anders dan eiseres meent, is het niet aan de Dienst Toeslagen om te beoordelen of eiseres (mede) in verband met de schuld van € 3.644 boven het drempelbedrag van € 3.700 uitkomt. Als eiseres het niet eens is met de vaststelling van de rendementsgrondslag, zal zij zich tot de Inspecteur van de Belastingdienst moeten wenden. [3]
9.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Dienst Toeslagen het voorschot terecht heeft herzien naar € 0.
De terugvordering. Is het evenredigheidsbeginsel geschonden?
10. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir is het uitgangspunt dat de Dienst Toeslagen, in het geval van herziening, het volledige bedrag terugvordert. De Dienst Toeslagen kan van een volledige terugvordering afzien, als de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de te dienen doelen van de volledige terugvordering. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering kan afzien of het terug te vorderen bedrag kan matigen. [4]
10.1.
De Dienst Toeslagen heeft in het Verzamelbesluit Toeslagen, zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit, het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen opgenomen. Volgens het Verzamelbesluit Toeslagen is van een onevenredige terugvordering in beginsel geen sprake als de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van de vermogensgrens. Ook is in het Verzamelbesluit Toeslagen vermeld dat de financiële situatie of financiële problemen van belanghebbenden die terugbetaling van toeslagen verhinderen, in het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een betalingsregeling.
10.2.
De rechtbank ziet in wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. In artikel 47 van Pro de Awir is bepaald dat bij ministeriële regeling een van de Awir afwijkende regeling wordt getroffen voor groepen van gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde en vierde lid, van de Awir, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze afwijkende regeling is opgenomen in artikel 9 van Pro de Uitvoeringsregeling Awir. Voor de situatie van eiseres, namelijk dat zij door het overmaken van een toeslag boven de vermogensgrens uitkomt, is geen uitzondering gemaakt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010 [5] bestaat er buiten de in de Uitvoeringsregeling Awir opgesomde gevallen geen bevoegdheid tot het buiten beschouwing laten van artikel 7, derde lid, van de Awir. De opsomming in de Uitvoeringsregeling Awir is namelijk limitatief. Ook in de door de gemachtigde van eiseres op de zitting genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025 [6] ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Deze uitspraak gaat namelijk niet over (voorzienbare) gestorte voorschotten (huur)toeslag, maar over een (onvoorzienbare) teruggestorte zorgverzekeringspremie. Daarnaast was er in deze uitspraak ook sprake van andere omstandigheden die leidden tot de conclusie dat het evenredigheidsbeginsel was geschonden. Van een vergelijkbare situatie is in deze uitspraak dan ook geen sprake. De rechtbank ziet ook geen andere reden om te concluderen dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. De Dienst Toeslagen wijst er terecht op dat eiseres huurtoeslag en zorgtoeslag heeft aangevraagd en dat conform die aanvraag deze toeslagen in december 2023 aan haar zijn uitbetaald. Op dat moment was het de Dienst Toeslagen niet bekend dat het vermogen van eiseres boven de vermogensgrens uit zou kunnen komen. Op de zitting heeft eiseres haar behoefte aangegeven om een financiële reserve aan te houden. De rechtbank kan die behoefte begrijpen, maar kan er ook niet aan voorbijgaan dat de vermogensgrens is overschreden en dat dit was te voorzien voor eiseres.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2.Uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8697.
3.Uitspraak van de Afdeling van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2919.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3536).
5.Uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8697.
6.Uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1943.