Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1848

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
25/1993
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.817 BalArt. 4.5 OmgevingsregelingArt. 4.829 lid 2 BalArt. 4.827 lid 2 BalArt. 3.200 lid 1 Bal
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving en invordering dwangsommen wegens overtreding pH-waarde luchtwassysteem varkenshouderij

Eiseres exploiteert een varkenshouderij met een gecombineerd luchtwassysteem dat ammoniakemissie moet reduceren. Het college stelde vast dat de pH-waarde van het waswater niet binnen de toegestane bandbreedte van 6,5 tot 7,5 bleef, wat een overtreding van artikel 4.817 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vormt.

Het college legde meerdere lasten onder dwangsom op en vorderde verbeurde dwangsommen. Eiseres voerde aan dat sprake was van overmacht vanwege technische complexiteit en inspanningen om het systeem te laten functioneren, en dat handhaving onevenredig was. Ook verzocht zij om verlenging van de begunstigingstermijn.

De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was tot handhaving en invordering, dat de overmacht niet aannemelijk is omdat eiseres onvoldoende coöperatief was en voldoende tijd had om de overtreding te voorkomen. De rechtbank volgt het college in het belang van handhaving en wijst het beroep ongegrond. De begunstigingstermijn behoefde niet te worden verlengd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de handhaving en invordering van dwangsommen wegens overtreding van de pH-waarde van het luchtwassysteem.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1993 OWHAND

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] ,

eiseres,
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel,

het college,
(gemachtigde: mr. B.M.E. Mallens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over besluiten die het college heeft genomen omdat het luchtwassysteem in de stallen van de varkenshouderij van eiseres niet in werking is overeenkomstig de daaraan te stellen eisen. Het gaat om een besluit tot invordering van eerder verbeurde dwangsommen, een aan eiseres opgelegde last onder dwangsom om herhaling van de eerdere overtreding te voorkomen en de afwijzing van het verzoek om verlenging van de daarin gestelde begunstigingstermijn. In het besluit op bezwaar (het bestreden besluit) is het college bij deze besluiten gebleven. Eiseres is het met dit besluit niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
In deze uitspraak komt de rechtbank (samengevat) tot het volgende oordeel. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank is van oordeel dat eiseres artikel 4.817 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) heeft overtreden en dat het college daarom bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen. Van onevenredigheid is geen sprake. Het college was ook bevoegd om tot invordering over te gaan. Het college hoefde voorts geen (langere) begunstigingstermijn te stellen ten aanzien van de last onder dwangsom die ziet op het voorkomen van herhaling van de overtreding. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen daarvan zijn.

Procesverloop

2. Het college heeft eiseres bij besluit van 10 april 2024 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4.817 van het Bal omdat de pH-waarde (de zuurgraad) van het waswater van het biologische combiluchtwassysteem in de stallen van haar varkenshouderij op het adres [adres] in [vestigingsplaats] niet binnen de toegestane bandbreedte van 6,5 tot en met 7,5 blijft.
2.1.
Met het besluit van 8 januari 2025 heeft het college besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 5.100,-.
2.2.
Met het besluit van 9 januari 2025 heeft het college eiseres, om herhaling van de eerder geconstateerde overtreding te voorkomen, een nieuwe, hogere last onder dwangsom opgelegd.
2.3.
Met het besluit van 25 februari 2025 heeft het college het verzoek van eiseres tot het stellen c.q. verlengen van de begunstigingstermijn afgewezen.
2.4.
Het door eiseres tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft het college met het bestreden besluit van 3 juli 2025 ongegrond verklaard.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 12 september 2025 en 17 februari 2026 heeft eiseres een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.6.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
2.8.
Eiseres exploiteert op het adres [adres] in [vestigingsplaats] een varkenshouderij waar zij, verspreid over 5 stallen, 12 dekberen, 1147 guste en dragende zeugen, en 890 kraamzeugen houdt.
2.9.
De stallen (1, 2, 3, 4 en 8) zijn aangesloten op een gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (OW 2009.12), uitgerust met een elektronisch monitoringssysteem. Het betreft één luchtwassysteem.
2.10.
Op grond van de eisen die gelden voor het gebruik van dit systeem, opgenomen in de systeembeschrijving OW 2009.12, moet de pH van het waswater minimaal 6,5 en niet hoger dan 7,5 zijn.
2.11.
Vanaf 2022 is bij verschillende controles geconstateerd dat de pH-waarde van het waswater van het luchtwassysteem een groot deel van de tijd niet voldoet aan de gestelde bandbreedte.
2.12.
In verband hiermee heeft het college aan eiseres meerdere, elkaar opvolgende - en telkens hogere - lasten onder dwangsom opgelegd (op 20 februari 2023, 10 april 2024 en 9 januari 2025).
2.13.
Het college heeft al eerder, op 28 maart 2023, besloten om verbeurde dwangsommen (ten bedrage van in totaal € 2.550,-) in te vorderen. Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 25 januari 2024 ongegrond verklaard. Dit besluit is onherroepelijk geworden en eiseres heeft de ingevorderde dwangsommen betaald.
2.14.
Op 1 maart 2024 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om haar, ter voorkoming van herhaling van de overtreding, een nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen. De door eiseres ingediende zienswijzen hebben het college niet op andere gedachten gebracht.
2.15.
Bij besluit van 10 april 2024 heeft het college de voorgenomen last onder dwangsom aan eiseres opgelegd, met een begunstigingstermijn van drie maanden. Het college heeft het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar bij besluit van 25 oktober 2024 ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.
2.16.
Omdat uit door eiseres aan de Omgevingsdienst Brabant Noord overgelegde logdata over de periode van 12 juli t/m 3 oktober 2024 is gebleken dat de pH-waarde van het waswater nog altijd een groot deel van de tijd te hoog of te laag was, heeft het college op 8 januari 2025, nadat het een voornemen daartoe op 6 november 2024 kenbaar had gemaakt waartegen eiseres zienswijzen heeft ingediend, het nu bestreden invorderingsbesluit genomen.
2.17.
Omdat de pH-waarde ook bij latere controles buiten de toegestane bandbreedte van 6,5 tot en met 7,5 bleef, heeft het college eiseres bij brief van 6 november 2024 laten weten voornemens te zijn om (wederom) een nieuwe last onder dwangsom op te leggen, met wederom een hogere dwangsom per constatering.
2.18.
Bij het besluit van 9 januari 2025 heeft het college eiseres ter voorkoming van herhaling van de eerdere overtreding, een last onder dwangsom opgelegd. Als herhaling van de overtreding niet binnen een week wordt voorkomen, moet eiseres een dwangsom betalen van € 1.700,- per constatering, per week, dat eiseres artikel 4.187 van het Bal in verbinding met artikel 4.5 van de Omgevingsregeling in verbinding met de eisen voor gebruik opgenomen in de systeembeschrijving OW 2009.12 en artikel 4.829, lid 2, van het Bal niet naleeft, met een maximum van € 10.200,-. Het college heeft in dit dwangsombesluit aangegeven dat eiseres, om herhaling te voorkomen, ervoor moet zorgen dat de pH van het waswater minimaal 6,5 en niet hoger dan 7,5 is. Indien hieraan niet wordt voldaan, moet eiseres maatregelen hebben getroffen om de pH van het waswater in de stallen 1, 2, 3, 4 en 8 binnen de genoemde bandbreedte te brengen en te houden.
2.19.
Het college heeft het door eiseres op 24 januari 2025 ingediende verzoek tot het stellen c.q. verlengen van de begunstigingstermijn met het besluit van 25 februari 2025 afgewezen.
2.20.
In het bestreden besluit op de door eiseres ingediende bezwaren is het college bij deze besluiten gebleven. In het bestreden besluit heeft het college zich, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat eiseres de bijzondere omstandigheid waarop zij zich beroept, te weten overmacht, niet aannemelijk heeft gemaakt. Het gaat bovendien om een situatie die al vanaf 21 mei 2021 voortduurt en eiseres heeft ruimschoots de tijd gehad om (herhaling van) de overtreding te voorkomen.
Welk recht is in deze zaak van toepassing?
2.21.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar overzichtsuitspraak van 3 juli 2024 [1] over het overgangsrecht van de Omgevingswet in handhavingszaken overwogen dat hieruit volgt dat als een bestuursorgaan ter voorbereiding van een bestuurlijk sanctiebesluit vóór 1 januari 2024 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op het bestuurlijk sanctiebesluit oud recht van toepassing is, ook als het sanctiebesluit na 1 januari 2024 is genomen. Dat volgt uit artikel 4.5, gelezen in samenhang met artikel 4.23 Iw Ow. Nu in deze zaak zowel de sanctiebesluiten als de voorbereiding daarvan dateren van na 1 januari 2024, heeft het college terecht de Ow op het geschil van toepassing geacht.
2.22.
Het houden van meer dan 750 zeugen wordt op grond van artikel 3.200, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bal aangewezen als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 van het Bal. Op grond van artikel 3.203, eerst lid, aanhef en onder d, van het Bal moet worden voldaan aan de regels over dierenverblijven in paragraaf 4.82 van het Bal.
De regels over de goede werking van een huisvestingssysteem voor stallen waren voor 1 januari 2024 opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.123) en zijn nu opgenomen in het Bal (artikel 4.817) en de Omgevingsregeling (artikel 4.5). Die regels gaan over de technische uitvoering en de gebruikseisen van een huisvestingssysteem die zijn opgenomen in de systeembeschrijvingen van de huisvestingssystemen (de zogenoemde leaflets).
2.23.
Het huisvestingssysteem van de stallen van eiseres bestaat uit een gecombineerd luchtwassysteem met een watergordijn en een biologische wasser van het type OW 2009.12. Uit de leaflet die hoort bij dit huisvestingssysteem blijkt dat het doel van dit systeem is het reduceren van de emissie van ammoniak, geur en stof uit de stallen naar de lucht. [2] In deze leaflet staat een technische beschrijving van het luchtwassysteem. Hieruit leidt de rechtbank af dat dit luchtwassysteem – voor zover in deze zaak van belang – goed werkt als zij de ammoniakemissie met 85% reduceert. Om te kunnen controleren of het luchtwassysteem goed werkt, moet deze zijn voorzien van een elektronisch monitoringssysteem, waarmee elk uur de zuurgraad van het waswater, de geleidbaarheid van het waswater, de spuiwaterproductie, de drukval over het filterpakket en het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp worden geregistreerd. Dit volgt uit artikel 4.829 van het Bal en artikel 4.9 van de Omgevingsregeling. In de leaflet staat onder meer aan welke bandbreedte de zuurgraad moet voldoen (pH tussen 6,5 en 7,5). De pH van het waswater is een belangrijke indicatie voor de goede werking van een luchtwassysteem. [3] Als uit de monitoring blijkt dat de parameters, zoals de pH van het waswater, buiten de bandbreedtes vallen, moeten maatregelen worden getroffen om een goede werking van het luchtwassysteem te waarborgen. Dit volgt uit artikel 4.829, tweede lid, van het Bal. Welke maatregelen dat zijn, moet in een werkinstructie worden opgenomen, zo volgt uit artikel 4.827, tweede lid, van het Bal. [4] Blijkens de toelichting op deze bepaling is de veehouder verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van deze werkinstructie, eventueel in samenwerking met de leverancier van het luchtwassysteem.

Beoordeling van de beroepsgronden

Inleiding
2.24.
Eiseres betwist niet dat sprake is van (herhaling van) overtreding van artikel 4.817 van het Bal maar betoogt dat het college de last onder dwangsom niet had mogen opleggen en niet had mogen besluiten over te gaan tot invordering omdat sprake is van bijzondere omstandigheden.
Invorderingsbesluit van 9 januari 2025
2.25.
De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht wordt toegekend. [5] Een andere opvatting zou namelijk afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb. [6] Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. [7] Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
2.26.
De rechtbank merkt daarnaast op dat in een procedure tegen een invorderingsbeschikking de belanghebbende in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen.
Het gaat om de invordering van dwangsommen die op grond van de last van 10 april 2024 (de tweede last) zijn verbeurd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres na het verstrijken van de begunstigingstermijn de op 10 april 2024 opgelegde last heeft overtreden en dat het college dus bevoegd was om de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Het betoog van eiseres dat sprake is van overmacht omdat zij al sinds begin 2023 alles in het werk stelt om aan de eisen te voldoen, slaagt niet. Eiseres had deze stelling ook naar voren kunnen brengen tegen de last onder dwangsom van 10 april 2024. De door eiseres gestelde overmacht bestond toen immers al. Tegen die last heeft zij echter geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat evident is dat sprake was van overmacht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een uitzonderlijk geval dat maakt dat eiseres deze grond nu nog met succes naar voren kan brengen. Ook overigens heeft eiseres geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die de invordering onevenredig maken.
Het beroep van eiseres tegen de invordering slaagt niet.
Last onder dwangsom van 9 januari 2025
2.27.
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan in beginsel verplicht is om handhavend op te treden tegen overtredingen. Onder bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. Bij de vraag of het college in dit geval had moeten afzien van handhavend optreden, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. [8] Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [9]
2.28.
Volgens eiseres is sprake van overmacht. Er is voor de derde keer een last onder dwangsom opgelegd terwijl eiseres er sinds begin 2023 alles aan doet om de luchtwasser naar behoren te laten functioneren en voortdurend alles in het werk stelt om de parameters uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de leaflet te halen. Het gaat om uiterst delicate en technisch gezien complexe apparatuur en installaties, waarvan het functioneren niet eenvoudig valt te controleren en waar nodig is te herstellen. Een probleem is ook dat het bedrijf dat de luchtwasser destijds heeft geïnstalleerd niet meer bestaat en eiseres nu afhankelijk is van derden. In de afgelopen jaren heeft zij tal van (herstel)werkzaamheden, controles, vervangingen e.d. uitgevoerd. Zij heeft ook een deskundige (dr. ir. R.W. Melse) ingeschakeld om een analyse te maken van de werking van de luchtwasser aan de hand van gegevens zoals die in het elektronisch monitoringssysteem zijn vastgelegd. Melse heeft hierover op 12 september 2024 aan eiseres gerapporteerd. Verder heeft eiseres in oktober 2024 ook een nieuw besturingssysteem laten installeren.
Bij aanvullend beroepschrift van 17 februari 2026 heeft eiseres een notitie ingediend van haar adviseur (R&S advies) met betrekking tot de acties die al vanaf 2023 zijn ondernomen om te komen tot de door het college beoogde werking van de luchtwasser.
Alhoewel dankzij alle inspanningen sprake is van een aanzienlijke verbetering van de werking van de luchtwasser, voldoet deze nog niet 100%. Omdat niet duidelijk is wat hiervan de oorzaak is, is het vrijwel onmogelijk om het euvel te duiden en op te lossen.
Het wachten is nu op de volgende last onder dwangsom en het volgende invorderingsbesluit. Eiseres heeft het gevoel met de rug tegen de muur te staan en wijst er op dat de dwangsom zo het karakter krijgt van een punitieve sanctie. De wijze waarop het college het handhavingsinstrument jegens haar inzet, acht eiseres onevenredig. Zij doet uitdrukkelijk een beroep op de Harderwijk-jurisprudentie.
Bovendien betekent het enkele onderschrijden van de parameter voor de pH niet dat de ammoniakreductie niet wordt gehaald. Uit het rapport van dr. ir. Melse blijkt dat de wasser ook goed functioneert bij een pH-waarde onder de 6,5 en dat pas bij hele lage pH-waarden (pH < 4) ongewenste gassen kunnen ontstaan. Omdat bij een tijdelijke onderschrijding van de pH van 6,5 geen sprake is van nadelige milieueffecten, verdragen het invorderingsbesluit en de opgelegde last onder dwangsom zich niet met de eisen van evenredigheid (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb), aldus eiseres.
2.29.
Het college stelt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het afzien van handhaving. Het college is blijkens de opgelegde last onder dwangsom van mening dat het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zwaarder weegt dan het individuele belang van eiseres. De overtreding kan namelijk het milieu en de volksgezondheid schaden. Een pH-waarde die niet binnen de bandbreedte blijft, heeft tot gevolg dat te weinig ammoniak aan het waswater wordt gebonden en dus in het milieu terecht komt. Dit heeft schadelijke gevolgen voor planten, insecten, vlinders en vogels.
Blijkens het bestreden besluit vindt het college het niet aannemelijk dat sprake is van overmacht. De enkele verwijzing naar het advies van deskundige Melse, dat niet is gebaseerd op algemeen aanvaarde wetenschappelijke uitgangspunten, is te summier. Bovendien blijkt hieruit niet waar de overmacht op ziet.
In het verweerschrift stelt het college zich op het standpunt dat de stelling van appellant dat niet is gebleken dat de ammoniakemissie die is voorgeschreven niet wordt gehaald, dat de ammoniakemissie bij lagere pH-waarden juist daalt en dat dit ook verder niet is onderzocht of gemeten door het college, niet relevant is. De overtreden norm ziet op de pH-waarde van het waswater, niet op een bepaalde ammoniakemissie.
Bovendien deelt het college niet het standpunt van eiseres dat de wasser ook goed functioneert bij een tijdelijke pH-waarde onder 6,5. Het college wijst erop dat uit rapporten van de WUR uit 2018 en 2021, die overigens mede zijn opgesteld door de deskundige Melse, op wiens analyse eiseres zich beroept, blijkt dat om het proces van ammoniakverwijdering goed te laten verlopen de pH van het waswater ca. 6,5 - 7,5 dient te bedragen. Als de pH-waarde van het waswater onder 6,5 komt, bestaat kans op de productie van lachgas (NO2), een sterk broeikasgas en stikstofmonoxide (NO) dat na depositie kan leiden tot verzuring en het komen van te veel voedingsstoffen in de bodem (eutrofiëring). Uit de rapporten blijkt verder dat de ongewenste effecten, zoals de emissies van stikstofoxiden, niet pas optreden bij een pH-waarde lager dan 4 maar al veel eerder, bij een pH-waarde van 6. Verder heeft eiseres al sinds 2021 de tijd gehad om ervoor te zorgen dat de pH waarde tussen de bandbreedte blijft. Zij heeft zich verder niet, althans pas veel te laat, coöperatief opgesteld.
2.30.
De rechtbank stelt voorop dat de vergunninghouder (eiseres) verantwoordelijk is voor de correcte werking van het luchtwassysteem. Onderdeel daarvan is dat een luchtwassysteem wordt opgeleverd met een werkinstructie ten behoeve van het behoud van een deugdelijke werking. Uit de regelgeving volgt dus dat aan het toestaan van het gebruik van een luchtwassysteem de voorwaarde is gekoppeld dat een deugdelijke werking behouden blijft. Gelet op het voorgaande is het feit dat eiseres er in de gegeven omstandigheden - naar eigen zeggen - alles aan heeft gedaan om het luchtwassysteem deugdelijk te laten werken, geen reden voor een geslaagd beroep op overmacht. Dat de maatregelen niet hebben geholpen en volgens eiseres nog steeds niet duidelijk is wat de oorzaak is, komt in de gegeven omstandigheden voor haar rekening en risico. Dat de leverancier failliet is en dat eiseres dus afhankelijk is van andere bedrijven voor onderhoud en reparatie, betekent ook niet dat sprake is van overmacht. Zeker gezien het (lange) tijdsverloop kan dit niet (meer) als excuus worden gezien. Daarbij komt nog dat eiseres niet is ingegaan op verzoeken van het college om een diagnose van het probleem met haar te delen en in overleg te treden en om een toezichthouder bij een diagnose door een reparateur aanwezig te laten zijn op de locatie. Daarmee heeft eiseres zich niet coöperatief opgesteld, zoals het college terecht stelt.
Zoals het college verder terecht stelt en eiseres erkent, is de mate van ammoniakemissiereductie hier niet relevant, omdat de overtreding een onder- en overschrijding van de voorgeschreven pH waardes van het waswater betreft. Het standpunt van eiseres dat een te lage pH waarde niet (direct) tot een hogere ammoniakemissie, maar misschien zelfs tot een lagere emissie zou leiden, wordt niet gevolgd. Dat standpunt van dr. ir. R.W. Melse is in het in opdracht van eiseres opgestelde rapport niet onderbouwd, zoals namens eiseres is erkend tijdens de zitting, en uit de (wel van een onderbouwing voorziene) WUR-rapporten (onder meer ook van de hand van Melse) waar het college naar verwijst, blijkt het tegendeel. Bovendien staat in laatstgenoemde rapporten dat bij een te lage pH waarde een bijkomend risico bestaat op de productie van lachgas (NO2), een sterk broeikasgas en stikstofmonoxide (NO) dat na depositie kan leiden tot verzuring en het komen van te veel voedingsstoffen in de bodem (eutrofiëring).
2.31.
Van bijzondere omstandigheden die maken dat handhaving onevenredig is, is dus naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
Het beroep van eiseres tegen het opleggen van de derde last onder dwangsom slaagt niet.
De weigering om de begunstigingstermijn te verlengen
2.32.
Eiseres voert verder aan dat de gestelde begunstigingstermijn van een week voor haar niet haalbaar is (was) en feitelijk betekent dat er geen mogelijkheid wordt geboden om aan de last te voldoen. Gelet op al haar inspanningen, haar constructieve houding en mede gelet op de hoogte van de dwangsom, is eiseres van mening dat het college haar verzoek van 24 januari 2025, om de begunstigingstermijn met tenminste 4 weken te verlengen, had moeten honoreren.
2.33.
Het college geeft aan dat in de last onder dwangsom uit coulance een begunstigingstermijn van een week is opgenomen. In geval van een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling, is het niet vereist om een begunstigingstermijn te stellen. Eiseres is al langere tijd op de hoogte van deze overtreding, en blijft desondanks al sinds 21 mei 2021 in gebreke. Dat is bijna vijf jaar.
2.34.
De rechtbank volgt het college. Volgens vaste jurisprudentie hoeft aan een last die strekt tot het voorkomen van herhaling niet per se een begunstigingstermijn te worden verbonden. In bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn. [10] Gelet op het tijdsverloop en omdat het om een last onder dwangsom gaat die ziet op voorkoming van het herhalen van een overtreding, heeft het college kunnen besluiten om geen langere begunstigingstermijn te stellen, althans het verzoek daartoe af te wijzen. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die het college tot verlenging van de begunstigingstermijn hadden moeten nopen.
Dit betoog slaagt evenmin.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
8.Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
9.Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
10.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:904.