Eiser heeft beroep ingesteld tegen de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2022, omdat hij meent dat zijn echtgenoot geen toeslagpartner meer was sinds 2020 vanwege duurzame scheiding. De Dienst Toeslagen had echter de echtgenoot als toeslagpartner aangemerkt omdat zij in 2022 nog gehuwd waren en op hetzelfde adres stonden ingeschreven.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is omdat dit besluit is vervangen door een herzien besluit. Het beroep tegen het herzien besluit is ongegrond omdat de wettelijke bepalingen omtrent toeslagpartnerschap dwingend zijn en geen rekening houden met feitelijke woonsituaties zonder een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden worden niet als voldoende grond gezien om van de wet af te wijken.
Verder is vastgesteld dat de hoorplicht niet is geschonden omdat eiser de mogelijkheid tot mondelinge toelichting niet heeft aangegrepen. De rechtbank bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht en proceskosten aan eiser moet vergoeden vanwege de behandeling van het bezwaar en beroep. De definitieve berekeningen van zorgtoeslag en kindgebonden budget blijven ongewijzigd.