ECLI:NL:RBOBR:2026:1922

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/4016
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a AwrArt. 6:19 AwbArt. 7:3 AwbArt. 3 AwirArt. 1 Wet op de zorgtoeslag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling definitieve berekening zorgtoeslag en kindgebonden budget 2022 bij gehuwde status

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2022, omdat hij meent dat zijn echtgenoot geen toeslagpartner meer was sinds 2020 vanwege duurzame scheiding. De Dienst Toeslagen had echter de echtgenoot als toeslagpartner aangemerkt omdat zij in 2022 nog gehuwd waren en op hetzelfde adres stonden ingeschreven.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is omdat dit besluit is vervangen door een herzien besluit. Het beroep tegen het herzien besluit is ongegrond omdat de wettelijke bepalingen omtrent toeslagpartnerschap dwingend zijn en geen rekening houden met feitelijke woonsituaties zonder een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden worden niet als voldoende grond gezien om van de wet af te wijken.

Verder is vastgesteld dat de hoorplicht niet is geschonden omdat eiser de mogelijkheid tot mondelinge toelichting niet heeft aangegrepen. De rechtbank bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht en proceskosten aan eiser moet vergoeden vanwege de behandeling van het bezwaar en beroep. De definitieve berekeningen van zorgtoeslag en kindgebonden budget blijven ongewijzigd.

Uitkomst: Het beroep tegen het herzien besluit is ongegrond en de definitieve berekeningen van zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2022 blijven ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/4016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk)
en

de Dienst Toeslagen,

(gemachtigden: [naam] en mr. G. de Haan).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2022. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de definitieve berekeningen.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2022 in stand kunnen blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met de brieven van 5 juli 2024 heeft eiser de Dienst Toeslagen gevraagd de besluiten van 5 januari 2024 te herzien en hem per 1 augustus 2020 zorgtoeslag en kindgebonden budget toe te kennen.
2.2.
Met het besluit van 14 augustus 2024 heeft de Dienst Toeslagen afwijzend beslist op de aanvragen van eiser, omdat deze te laat zouden zijn ingediend. Met het besluit op bezwaar van 17 oktober 2024 (bestreden besluit I) is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
2.4.
Op 7 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen een herzien besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit II) en de aanvragen van eiser alsnog in behandeling genomen. De zorgtoeslag over 2022 is definitief vastgesteld op € 0 en het kindgebonden budget over 2022 is definitief vastgesteld op € 124.
2.5.
Het beroep van eiser richt zich ook tegen bestreden besluit II.
2.6.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen bestreden besluit I
3. Bestreden besluit II is in de plaats gekomen van bestreden besluit I. Gesteld noch gebleken is dat eiser nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van bestreden besluit I. De rechtbank zal dit besluit daarom hierna niet bespreken en het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren.
Het beroep tegen bestreden besluit II
4. Het beroep van eiser richt zich ook tegen bestreden besluit II, omdat dit besluit niet geheel aan zijn bezwaren tegemoet komt. [1] Eiser kan zich namelijk niet vinden in de bij bestreden besluit II vastgestelde hoogte van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2022.
Het standpunt van de Dienst Toeslagen
5. De Dienst Toeslagen heeft in bestreden besluit II de aanvragen van eiser als tijdig aangemerkt en deze alsnog in behandeling genomen. Omdat eiser in 2022 nog was gehuwd met mevrouw [naam] ( [naam] ), is zij voor heel 2022 aangemerkt als eisers toeslagpartner. De Dienst Toeslagen stelt de zorgtoeslag voor 2022 definitief vast op € 0, omdat het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiser en [naam] te hoog is om recht op zorgtoeslag te hebben. Het kindgebonden budget voor 2022 is vastgesteld op € 124 en is gebaseerd op het gezamenlijk toetsingsinkomen van eiser en [naam] . De Dienst Toeslagen licht toe dat eiser niet in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaar mondeling toe te lichten, omdat geheel aan zijn bezwaar is tegemoetgekomen.
Toetsingskader
6. De toepasselijke wettelijke regels en beleidsregels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van de door eiser aangevoerde beroepsgronden
7.1.
Eiser brengt naar voren dat hij sinds 2020 duurzaam gescheiden leeft van [naam] en daarom recht heeft op (een hogere) zorgtoeslag en kindgebonden budget. [naam] heeft zich niet kunnen uitschrijven op het adres van eiser, omdat zij woonde in een chalet op een park waar zij zich niet heeft kunnen inschrijven. Ter onderbouwing van de stelling dat hij duurzaam gescheiden leeft van [naam] overlegt eiser een brief van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) met het toekenningsbesluit van de AOW [2] -uitkering, waaruit blijkt dat hij vanaf 15 augustus 2020 het bedrag voor ongehuwden ontvangt.
7.2.
De tegemoetkomingen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), waaronder de zorgtoeslag en het kindgebonden budget, zijn inkomensafhankelijk. Wanneer bij de bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van een partnerschap en het inkomen van de partner dus bij de berekening wordt betrokken, leidt dit doorgaans tot een hoger toetsingsinkomen.
7.3.
In de wet is bepaald dat een echtgenoot als toeslagpartner wordt aangemerkt. [3] Hiervan kan alleen worden afgeweken als sprake is van scheiding van tafel en bed, dan wel als een verzoek tot echtscheiding is gedaan of een verzoek tot scheiding van tafel en bed en de echtgenoot in de Basisregistratie personen (Brp) niet meer op hetzelfde adres als belanghebbende staat ingeschreven. [4]
7.4.
Vaststaat dat eiser en [naam] in 2022 stonden ingeschreven op hetzelfde woonadres in de Brp en nog gehuwd waren. De echtscheiding is immers pas op 30 maart 2023 uitgesproken. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen [naam] voor het jaar 2022 terecht als toeslagpartner van eiser heeft aangemerkt. Het door eiser gestelde dat [naam] sinds 20 juli 2020 niet meer op zijn adres woonde, betekent niet dat [naam] niet kan worden aangemerkt als toeslagpartner. Eiser en [naam] waren in 2022 immers nog gehuwd en niet is gebleken dat in dat jaar al een verzoek tot echtscheiding is gedaan of een verzoek tot scheiding van tafel en bed. Dat de SVB eiser voor de AOW sinds 2020 als duurzaam gescheiden en dus als ongehuwd aanmerkt, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat [naam] in 2022 voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget niet als toeslagpartner van eiser moet worden aangemerkt. Het gaat hier immers om een andere uitvoeringsorganisatie en een andere wet met een ander beoordelingskader. De Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), die hier van toepassing is, kent het begrip ‘duurzaam gescheiden leven’ niet.
7.5.1.
Eiser is van mening dat het bepaalde over de toeslagpartner in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) buiten toepassing moet blijven vanwege zijn bijzondere situatie. Eiser stelt dat het gaat om de feitelijke situatie in het kalenderjaar en verwijst naar de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 5a van de Awr [5] . In zijn geval is de feitelijke situatie al in 2020 gewijzigd. [naam] woont volgens eiser namelijk al sinds 2020 niet meer op zijn adres. Eiser licht toe dat vanwege de lange duur van het mediationtraject het verzoek tot echtscheiding pas begin 2023 kon worden ingediend. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet slaagt en overweegt het volgende.
7.5.2.
Artikel 5a van de Awr is een bepaling van dwingende aard in een wet in formele zin. Dit artikel kan daarom niet worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het evenredigheidsbeginsel. [6]
7.5.3.
Afwijking van een wet in formele zin is alleen mogelijk als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene beginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [7]
7.5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het geval van eiser geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 5a van de Awr blijkt dat de wetgever uit een oogpunt van vereenvoudiging en een eenduidige uitvoering bewust heeft gekozen voor een objectief en uniform partnerbegrip. In de MvT [8] is namelijk te lezen dat in de Awr een basispartnerbegrip wordt opgenomen dat geldt voor alle belastingwetten. Daarbij geldt volgens de MvT dat op basis van objectieve criteria wordt bepaald of er sprake is van partnerschap en wanneer het partnerschap begint en ophoudt te bestaan. Verder is hierin te lezen dat het uitgangspunt is “gehuwd is gehuwd en daarmee ook partner”. Een uitzondering op het partnerbegrip geldt voor gehuwden die civielrechtelijk gescheiden zijn van tafel en bed.
7.5.5.
Een dergelijk objectief partnerbegrip brengt met zich dat in een geval als hier aan de orde geen rekening kan worden gehouden met de feitelijke woonsituatie. Dit kan de wetgever niet zijn ontgaan. Dit betekent dat de door eiser genoemde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden. De rechtbank ziet daarom geen grond of ruimte om het bepaalde over de toeslagpartner in artikel 5a van de Awr buiten toepassing te laten op basis van de omstandigheden die eiser aanvoert.
8.1.
Eiser is van mening dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarprocedure.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen eisers gemachtigde voorafgaand aan bestreden besluit II met een e-mailbericht van 9 januari 2025 heeft gevraagd of hij zijn bezwaar mondeling wil toelichten. Met een e-mailbericht van 16 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen dit verzoek herhaald en eisers gemachtigde gevraagd om vóór 23 januari 2025 te laten weten of hij gebruik wil maken van de mogelijkheid om te worden gehoord. In dit bericht staat ook dat als voor die datum geen reactie wordt ontvangen, de Dienst Toeslagen ervan uitgaat dat eiser afziet van de mogelijkheid om te worden gehoord. Eisers gemachtigde heeft bij e-mailbericht van 6 februari 2025 gereageerd op de berichten van de Dienst Toeslagen, maar een antwoord op de vraag of hij wilde worden gehoord is uitgebleven. De Dienst Toeslagen mocht hieruit afleiden dat eiser afzag van zijn recht om te worden gehoord. [9] De hoorplicht is daarom niet geschonden.

Conclusie en gevolgen

9.1.
Het beroep tegen bestreden besluit I is niet-ontvankelijk.
9.2.
Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. Dat betekent dat de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2022 in stand blijven.
9.3.
Omdat de Dienst Toeslagen in beroep met bestreden besluit II het bezwaar van eiser alsnog gegrond heeft verklaard en het bezwaar inhoudelijk heeft behandeld, moet de Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en is verschenen op de zitting. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
drs. J.G.J. van Geesink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet op het kindgebonden budget
Artikel 1. Algemene bepalingen
2. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.
(…)
Wet op de zorgtoeslag
Artikel 1
(…)
2. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 3. Partner
1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a, eerste lid en derde tot en met zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
(…)
Artikel 7. Draagkracht
1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.
(…)
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Artikel 5a
1. Als partner wordt aangemerkt:
de echtgenoot;
de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.
2. Degene die ingevolge het eerste lid voor een deel van het kalenderjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het kalenderjaar, voor zover hij in die perioden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een persoon die van tafel en bed is gescheiden, aangemerkt als ongehuwd. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit lid.
4. In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval:
een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en
hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige.
(…)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
(…)
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
(…)
de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
(…)

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Algemene Ouderdomswet.
3.Dat is bepaald in artikel 3, eerste lid, van de Awir gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).
4.Dat is bepaald in artikel 5a, vierde lid, van de Awr.
5.Kamerstukken II, 2009-2010, 32 130, nr. 3, p. 80-81.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2013, r.o. 12.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.11-9.13 en ECLI:NL:RVS:2023:852, r.o. 7.4.
8.Zie Kamerstukken II, 2009-2010, 32 130, nr. 3, p. 25-26.
9.Dat volgt uit artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht; zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3513, r.o. 4.2.