ECLI:NL:RBOBR:2026:1965

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/1547
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3.16 WaboArt. 3.18 WaboArt. 3.19 WaboArt. 3.21 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning wijziging mestverwerkingsinstallatie naar mestvergistingsinstallatie

De zaak betreft een beroep tegen de op 22 mei 2025 verleende omgevingsvergunning voor het wijzigen van een mestverwerkingsinstallatie naar een mestvergistingsinstallatie, inclusief het bouwen van een schoorsteen en het afwijken van het bestemmingsplan. Eiseres betoogde dat sprake was van een geïntegreerde chemische installatie met een MER-plicht, maar de rechtbank oordeelde dat de installatie primair gericht is op biogasproductie en digestaat slechts een restproduct is, waardoor geen MER-plicht geldt.

De rechtbank stelde vast dat de Wabo van toepassing is vanwege het overgangsrecht en dat eiseres geen beroepsgronden had aangevoerd tegen het bouwen en bestemmingsplan. De rechtbank verwierp de stelling dat de installatie een IPPC-installatie is die onder categorie C21.6 valt en wees op eerdere jurisprudentie. Ook de m.e.r.-beoordeling en milieueffectrapportage werden als voldoende onderbouwd beoordeeld.

Verder oordeelde de rechtbank dat het college terecht geen nieuwe watervergunning hoefde te eisen en dat de coördinatieregeling tussen Wabo en Waterwet correct was toegepast. De door eiseres aangevoerde nieuwe beroepsgrond over lekdichtheid werd niet-ontvankelijk verklaard wegens strijd met de procesorde. De rechtbank constateerde enkele gebreken in het besluit, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1547

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college

(gemachtigden: mr. M. Box en mr. M. de Laat).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. M. Peeters).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de op 22 mei 2025 verleende omgevingsvergunning om de inrichting aan de [adres] in [vestigingsplaats] te veranderen. Deze vergunning ziet ook op het bouwen van een bouwwerk en het handelen in strijd het bestemmingsplan. Eiseres is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De beroepsgronden slagen niet en de rechtbank laat de omgevingsvergunning in stand. De rechtbank passeert wel enkele gebreken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Daarna volgt de beoordeling door de rechtbank. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het college heeft op 22 mei 2025 een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de inrichting alsmede voor het verbouwen en het afwijken van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaak SHE 26/15. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en [naam] namens vergunninghoudster met de gemachtigde. Het beroep in de zaak SHE 26/15 is daarna ingetrokken.

Beoordeling

Feiten en omstandigheden

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
  • Het project bevindt zich in het buitengebied van [vestigingsplaats] en ligt direct ten noorden van de rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap Aa en Maas (RWZI [vestigingsplaats] ).
  • Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Rijntakken” op een afstand van ongeveer 8,6 km.
  • Op de projectlocatie is een biomassavergistingsinstallatie aanwezig. Na 2015 is de installatie enige tijd niet operationeel geweest. Vergunninghoudster heeft de installatie in 2017 overgenomen en na onderhoudswerkzaamheden weer in gebruik genomen.
  • Voor de biomassavergistingsinstallatie is in het verleden een milieuvergunning verleend voor co-vergisting. De vergunde verwerkingscapaciteit bedroeg maximaal 34.565,5 ton mest per jaar en maximaal 17.009 ton co-substraten per jaar (totaal 51.574,5 ton per jaar). Voor deze bedrijfsvoering waren verschillende gebouwen en bouwwerken aanwezig en vergund, zoals een loods voor het scheiden van mest en vijf grote mestsilo’s (twee hoofdvergisters, twee navergisters en één silo voor vooropslag van mest). Daarnaast waren ook vier kleinere silo’s aanwezig (voor opslag van vloeibaar co-product) en een weegbrug. Er zijn in het verleden ook verschillende andere bouwwerken vergund, die niet zijn gerealiseerd.
  • Op 24 april 2018 heeft het college naar aanleiding van een door de rechtsvoorganger van vergunninghoudster ingediende aanmeldingsnotitie besloten dat voor het wijzigen van de bestaande mestverwerkingsinstallatie (door de capaciteit te verhogen van 34.500 m³ drijfmest en co-producten per jaar naar 100.000 m³ drijfmest per jaar) geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld.
  • Op 18 november 2021 is een omgevingsvergunning (revisie) verleend voor wijziging van de biomassavergistingsinstallatie naar een mestbewerkingsinstallatie en het vergroten van de verwerkingscapaciteit tot 100.000 m3 dierlijke drijfmest. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. In de uitspraak van 19 oktober 2023
  • Vergunninghoudster heeft op 24 mei 2019 ook een watervergunning aangevraagd bij het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas (Waterschap) voor het lozen van afvalwater van de mestverwerkingsinstallatie op het oppervlaktewater ter hoogte van de [adres] . Het Waterschap heeft op 13 januari 2022 een watervergunning verleend.
  • Op 25 april 2023 is een veranderingsvergunning verleend waarmee voorschriften inzake een geurbeheersplan zijn toegevoegd
  • Op 29 augustus 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend met betrekking tot het veranderen van een bedrijf voor het wijzigen van de mestverwerkingsinstallatie naar een co-vergistingsinstallatie en het verwerken van digestaat (mestverwaarding) op de projectlocatie. Binnen de inrichting wordt vergisting als mestverwerkingsstap toegevoegd, zodat (groen)gas kan worden geproduceerd. De capaciteit wijzigt hierbij van 100.000 ton (m3) drijfmest naar 90.000 ton (m3) drijfmest en 10.000 ton (m3) co-producten per jaar. Het digestaat dat na het vergistingsproces overblijft wordt op dezelfde wijze en met dezelfde installaties en machines verder verwerkt als in de vergunde situatie en met dezelfde emissiepunten. Wel wordt een Warmtekrachtkoppeling (WKK) in gebruik genomen en komt er binnen de bestaande mestverwerkingsloods een groengasopwaardeerinstallatie, met daarbij een opslag voor geurstof Tetrahydrothiofeen (THT). De rest van de mestverwerking (het digestaat) zal dus volgens de overige vergunde verwerkingsstappen ongewijzigd plaatsvinden.
  • Vergunninghoudster heeft de voorgenomen activiteit bij het college op 8 februari 2023 aangemeld door middel van een aanmeldingsnotitie. Op 14 augustus 2023 heeft het college besloten dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden.
4. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Beoordeling beroepsgronden
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres met betrekking tot de activiteiten bouwen (het bouwen van een schoorsteen) en het afwijken van het bestemmingsplan (ten behoeve van het afwijken van de toegelaten bouwhoogte van de schoorsteen) geen beroepsgronden heeft aangevoerd.
6. Volgens eiseres is sprake van de oprichting van een geïntegreerde chemische installatie als bedoeld in categorie C21.6, onder c, van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het is een complexe installatie met meerdere proceseenheden. Daardoor is sprake van een MER-plicht. Door het besluit wordt een IPPC installatie toegevoegd aan de al bestaande installatie, waardoor sprake is van oprichting en niet van uitbreiding. Verder is sprake van “fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting”. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak over een installatie in [plaats] van de Afdeling van 27 juli 2022 [2] . Dat in het verleden geen MER is gemaakt, ontslaat het college er niet van om een MER alsnog verplicht te stellen om de eerdere schending van het unierecht ongedaan te maken.
6.1.
Volgens het college is geen sprake van een fysieke uitbreiding van de installatie. De bestaande installatie betreft namelijk geen geïntegreerde chemische installatie, maar een installatie voor de verwijdering van afval, en valt onder categorie 18.1, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In de loods worden een WKK-installatie en een container met een installatie voor het opwaarderen naar biogas geplaatst. De verdere installatie wijzigt niet. Er is dan ook geen sprake van fabricage van digestaat. Het primaire doel van het bedrijfsproces is om gas te maken door het vergisten van mest en co-producten. Digestaat komt in het kader van dit bedrijfsproces vrij, maar het produceren van digestaat is geen primair doel binnen dit bedrijf. Digestaat is slechts iets waar men vanaf moet. Daarmee verschilt de installatie van die in [plaats] waarin door het betrokken bedrijf beoogd werd om mestkorrels te produceren. Het college verwijst verder naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State [3] en van de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland. [4] Het college betwijfelt of de wetgever bij het beschrijven van categorie C21.6 van het Besluit m.e.r. wel producenten van organische meststoffen voor ogen had.
6.2.
Vergunninghoudster heeft aangegeven dat de wijzigende energiemarkt reden is geweest om wederom een vergunning voor een vergistingsinstallatie aan te vragen. Een vergunning voor het wijzigen van de werking van de inrichting is noodzakelijk vanwege plaatsing van de opwaardeerinstallatie. Daar zag de oorspronkelijke vergunning voor de vergistingsinstallatie niet op. Verder verandert er niets in de installatie. De verwerkte mest wordt gehygiëniseerd voor de export naar het buitenland.
6.3.
Categorie C21.6 van bijlage 1 bij het Besluit MER luidt als volgt:
“De oprichting van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:
(…)
c. fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen),
(…).
Categorie D21.6 luidt als volgt:
“De wijziging of uitbreiding van een geïntegreerde chemische installatie, dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:
(…)
c. fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen),
(…).
In de bijlage bij het Besluit m.e.r. onder a wordt onder
oprichting van een inrichtingverstaan een uitbreiding van een inrichting door de
oprichtingvan een nieuwe installatie;
6.4.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 19 oktober 2023 expliciet geoordeeld dat de omgevingsvergunning voor de wijziging van de biomassavergistingsinstallatie naar een mestbewerkingsinstallatie terecht is verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss omdat de hierin vergunde installatie géén IPPC installatie omvatte. De rechtbank merkte de levering van dikke fractie niet aan als het zich ontdoen van een restproduct, juist omdat de dikke fractie een bewerking ondergaat en wordt gehygiëniseerd ten behoeve van de export.
6.5.
In het bestreden besluit wordt een co-vergistingsinstallatie wederom vergund. Dat is een IPPC installatie en daarom is het college ook het bevoegd gezag. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval wel sprake is van de oprichting van een inrichting als bedoeld in het besluit m.e.r., ook al zijn de feitelijke wijzigingen aan de installatie beperkt.
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat het primaire product van de installatie biogas is. Digestaat is een restproduct waar wel verwerkingen op plaatsvinden. Uit de door eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022 [5] volgt dat dit neveneffect ook moet worden beoordeeld om uit te sluiten dat sprake is van een geïntegreerde chemische installatie. Of het gaat om een hoofddoel, of een nevendoel, is volgens de Afdeling namelijk van ondergeschikt belang. Om een installatie aan te merken als een geïntegreerde chemische installatie als bedoeld in categorie C21.6, moet aan vier cumulatieve vereisten worden voldaan:
  • Bij de vergisting is sprake van een chemisch proces;
  • De installatie is bestemd voor de fabricage van de ontstane producten;
  • Er is sprake van een industriële schaal;
  • Er zijn verscheidene eenheden die naast elkaar functioneel met elkaar zijn verbonden.
6.7.
De rechtbank is van oordeel dat deze installatie niet is bestemd voor de fabricage van digestaat als meststof, want aan het restproduct digestaat worden vervolgens geen stoffen toegevoegd om het restproduct te verbeteren. Hiermee verschilt deze installatie van de installatie in de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022. Het hygiëniseren van mest is iets anders dan het fabriceren van meststoffen. Nu niet aan de tweede vereiste wordt voldaan, is om die reden al geen sprake van een geïntegreerde chemische installatie en behoeven de andere vereisten geen verdere bespreking.
7. Eiseres heeft kritiek op het m.e.r.-beoordelingsbesluit. Er is niet ingegaan op de mogelijke nuttige toepassing van co-producten, noch op de energiebehoefte voor de productie van co-producten. De emissies door de vergunde fakkel en de WKK van onder meer NOx, S02, restanten NH3, en de zeer zorgwekkende stoffen formaldehyde en benzeen worden in het geheel niet besproken. De inrichting grenst direct aan de RWZI [vestigingsplaats] , hetgeen leidt tot een cumulatie van geuremissies. Deze cumulatie is niet in beeld gebracht. Ter zitting heeft eiseres twijfels over de lekdichtheid van de installatie naar voren gebracht.
7.1.
In het m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft het college ten aanzien van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aangegeven dat ten behoeve van de bedrijfsvoering leidingwater, diesel en een klein deel van het zelf geproduceerd biogas worden gebruikt. Er is niet ingegaan op een andere nuttige toepassing van co-producten. Het beschreven A&V- en AO/IC-beleid geeft volgens het college voldoende inzicht in de kwalificatie van de co-producten. Uit de resultaten van het luchtkwaliteitsrapport blijkt dat alle immissies op toetspunten lager zijn dan in de voorheen geldende vergunde situatie als gevolg van de afnemende emissies voor wegverkeer. Het toevoegen van emissiebronnen op zich, betekent niet automatisch dat er belangrijke nadelige milieueffecten zijn. De noodfakkel zal slechts incidenteel worden gebruikt. Er zullen geen relevante emissies van formaldehyde en benzeen optreden waarbij het college opmerkt dat emissie van formaldehyde slechts bij onvolledige verbranding zal optreden. Emissies van benzeen en ammoniak zullen bij volledige verbranding niet optreden. Het vergisten zal juist leiden tot het omzetten of benutten van veel potentiële ammoniak- en methaanemissies. De SO2 emissies zullen verwaarloosbaar zijn. Het college merkt tot slot op dat rechtstreeks werkende regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit activiteiten leefomgeving voldoende bescherming bieden aan omwonenden of de omgeving. Met betrekking tot cumulatie merkt het college op dat genoemde geur-emitterende activiteiten bestaande activiteiten zijn. Van beide wordt (individueel) getoetst of voldaan kan worden aan het aanvaardbaar geurhinderniveau. Cumulatie kan relevant zijn, maar wanneer van beide duidelijk is dat de geurbelasting in de omgeving gelijk blijft of daalt, zal ook gecumuleerd de geurbelasting dalen. Daarmee is voldoende invulling gegeven aan het in beeld krijgen van de milieugevolgen.
7.2.
De vraag of een MER moet worden gemaakt, wordt beantwoord aan de hand van de criteria in bijlage III bij richtlijn 2014/52/EU. Hierbij wordt gekeken naar de kenmerken van het project, de locatie van het project en de soort en kenmerken van het potentiële effect. De inhoudelijke eisen die aan de mededeling in het kader van de m.e.r.-beoordeling worden gesteld, zijn opgenomen in bijlage II bij de mer-richtlijn. Deze zijn omgezet in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer. Hierin is bepaald dat bij de mededeling in ieder geval een beschrijving wordt verstrekt, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is, van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit van het milieu kan hebben ten gevolge van de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. Het begrip "nuttige toepassing" is in het Besluit m.e.r. zelf niet omschreven.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen volstaan met de beschrijving die is gegeven in het m.e.r. beoordelingsbesluit, gegeven de inhoud van het uiteindelijke bestreden besluit, en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen MER behoefde te worden gemaakt. Een m.e.r.-beoordeling betreft geen verkapte vergunningverlening. Het gaat alleen om de vraag of er een MER moet worden opgesteld ten behoeve van de verlening van de vergunning (en of er dus een uitgebreider onderzoek moet worden verricht of dat kan worden volstaan met een normale onderbouwing). Op dat moment hoeft nog niet duidelijk te zijn wat de exacte gevolgen zijn voor natuur en milieu (dat hoeft pas duidelijk te zijn in de uiteindelijke omgevingsvergunning). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de m.e.r.-beoordeling moet worden verricht voordat de vergunning wordt aangevraagd. Het college is hierbij naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden tot een diepgaande beoordeling van de nuttige toepassing van alle stoffen die worden toegepast in de installatie. Het college heeft in de emissies naar de lucht, mede gelet op het luchtkwaliteitsonderzoek, geen aanleiding hoeven zien om een MER te verlangen. Hetzelfde geldt voor de geuremissies van de installatie ondanks de cumulatie van geuremissies vanwege de nabije ligging van de RWZI.
7.4.
De rechtbank ziet de twijfels van eiseres over de lekdichtheid van de installatie als een nieuwe beroepsgrond. Het inbrengen van deze beroepsgrond tijdens de zitting acht de rechtbank in strijd met een goede procesorde en de rechtbank zal deze dan ook verder niet beoordelen.
8. Eiseres merkt op dat er in de aangehechte AERIUS berekeningen van uit is gegaan dat de emissie van fakkelen gelijk is aan de referentiesituatie. Onduidelijk is echter wat wordt afgefakkeld in de referentiesituatie, waar nog geen sprake is van vergisting. Bij vergisting komt naast methaan ook NH3 vrij. Deze emissies zijn niet betrokken in de AERIUS berekening. Daarom heeft het college onvoldoende beoordeeld of een verklaring van geen bedenkingen vanwege de mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden had moeten worden aangevraagd. Eiseres kan niet beoordelen of een natuurvergunning is aangevraagd voor hetzelfde project.
8.1.
Het college merkt op dat voor de activiteit natuur op 22 januari 2025 door vergunninghoudster een aparte aanvraag is ingediend. Eiseres kan haar bezwaren daartegen naar voren brengen in het kader van de te volgen procedure voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. De aanvraag is gehecht aan het verweerschrift. Dezelfde AERIUS berekening is aangehecht
8.2.
Omdat de aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend voordat het bestreden besluit werd genomen, bestaat er geen aanhaakplicht. De aanvraag maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Eiseres had moeten onderbouwen dat deze aanvraag betrekking heeft op een ander project
.Nu zij dit heeft nagelaten, gaat de rechtbank er vanuit dat dit niet het geval is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiseres stelt dat niet in geschil is dat de BBT-conclusies afvalbehandeling en afgas- en afvalwaterbehandeling van toepassing zijn omdat sprake is van een IPPC installatie. In het bestreden besluit is niet beoordeeld of BBT 7 en BBT 20 uit deze conclusies in acht zijn genomen. Er lijken geen voorschriften te zijn gesteld.
9.1.
Het college stelt dat sprake is van een IPPC-installatie, genoemd in Bijlage 1, categorie 5.3b van de Richtlijn industriële emissies (RIE). BBT Common Waste Water and Waste Gas Treatment (CWW) is hierop volgens het college niet van toepassing. De BBT conclusies inzake afvalbehandeling zijn wel van toepassing en hieraan is in het kader van het bestreden besluit ook getoetst. In het bestreden besluit wordt verwezen naar de toetsing die is gehecht aan de aanvraag. Eiseres geeft niet aan op welke punten materieel niet aan de BBT zou worden voldaan.
9.2.
BBT 7 van de BREF afvalbehandeling geeft aan dat BBT is om emissies naar water te monitoren in een bepaalde frequentie en in overeenstemming met de EN-normen. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT om ISO-, nationale of andere internationale normen te gebruiken die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd. BBT 20 van de BREF afvalbehandeling geeft aan dat BBT is om emissies naar water te verminderen en, om afvalwater te behandelen door middel van een geschikte combinatie van de genoemde technieken.
9.3.
De rechtbank stelt vast dat aan de aanvraag een IPPC toets aan het Best Available Techniques (BAT) Reference Document (BREF) afvalbehandeling is gehecht. Deze toets maakt onderdeel uit van het bestreden besluit. In de IPPC toets wordt aan de afzonderlijke BBT-conclusies getoetst, ook aan conclusies 7 en 20. Hierbij is aangegeven dat wordt gemonitord volgens conclusie 7 op basis van de verleende watervergunning. Verder is onderbouwd op welke wijze toepassing wordt gegeven aan de in BBT-conclusie 20 genoemde technieken. Eiseres heeft niet aangegeven waarom de uitkomst van deze toets onjuist zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiseres betoogt dat het college niet kon volstaan met de verwijzing naar de watervergunning van 2022. Het advies van het Waterschap en de eerdere vergunning zijn niet ter inzage gelegd. Omdat in het bestreden besluit een nieuwe IPPC installatie wordt vergund, dient opnieuw te worden getoetst aan de Kaderrichtlijn water. Eiseres concludeert dat er ten onrechte geen coördinatie heeft plaatsgevonden met de Waterwet.
10.1.
Het college erkent dat het bestreden besluit een kennelijke verschrijving bevat. In het besluit wordt verwezen naar de Waterwetvergunning van 2 juni 2002. Bedoeld is de watervergunning van 13 januari 2022 (zaaknummer 065435679). Op grond van artikel 3.16 van de Wabo dienen aanvragen op grond van de Waterwet en de Wabo gecoördineerd te worden afgehandeld als er sprake is van handelingen waarvoor een watervergunning als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, van de Waterwet is vereist. De aangevraagde wijzigingen leiden niet tot wijzigingen in de aard en samenstelling van het te lozen effluent. Er bestaat daarom geen noodzaak tot het wijzigen van de kwalitatieve lozingsvoorschriften in de watervergunning van 13 januari 2022.
10.2.
Het advies van het Waterschap van 8 december 2023 luidt als volgt:
“Als het materiaal (co-producten) wat in gebruik genomen wordt bij de bio vergister is toegestaan volgens de daarvoor geldende wet- en regelgeving heeft dit geen effect op de aard en samenstelling van het afvalwater wat ontstaat uit deze installatie. De voorschriften zoals opgesteld hoeven niet aangepast te worden.”
10.3.
De coördinatieregeling tussen de Wabo en de Waterwet houdt in dat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een IPPC-installatie tegelijk wordt ingediend met de aanvraag om de watervergunning (artikel 3.18 van de Wabo), dat het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlenen van de watervergunning advies uitbrengt aan het bevoegd gezag
voor de omgevingsvergunning (artikel 3.19 van de Wabo), en dat in de omgevings-vergunning melding wordt gemaakt van de invloed die de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen heeft gehad op de inhoud van de omgevingsvergunning of de beschikking tot wijziging van voorschriften van de omgevings-vergunning (artikel 3.21 van de Wabo).
10.4.
Het is de rechtbank onduidelijk of het advies van het Waterschap apart ter inzage heeft gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierdoor niet in haar belangen geschaad omdat de strekking van het korte advies volledig is weergegeven in het ontwerpbesluit en het definitieve besluit. De rechtbank is verder van oordeel dat het bestreden besluit inderdaad een kennelijke verschrijving bevat die ook kenbaar had kunnen zijn voor eiseres (de verlening van de watervergunning van 13 januari 2022 was ook bekend in de procedure rond de verlening van de vorige omgevingsvergunning). De rechtbank passeert beide gebreken met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10.5.
Het college heeft in het bestreden besluit terecht aangenomen op basis van het advies van het Waterschap dat coördinatie niet was vereist omdat de wijziging van de inrichting geen effect heeft op de aard en samenstelling van het afvalwater. Dat met de co-producten andere stoffen worden toegepast in de installatie doet hier niets aan af. Het Waterschap heeft de toepassing van co-producten onderkend bij het geven van het advies. Het indienen van een aanvraag voor het wijzigen van de watervergunning is niet vereist. Eiseres heeft ter zitting gewezen op de Beleidsregel vergunningverlening voor lozingen vanuit mestverwerkingsinstallaties 2023 van het Waterschap (in werking getreden op 24 maart 2023) waar het document ‘Het aanwijzen van BBT voor effluentbehandeling bij mestverwerkingsinstallaties’ is aangehecht en heeft opgemerkt dat de eerder verleende watervergunning is gedateerd. Het Waterschap heeft de beleidsregel niet kenbaar betrokken bij haar advies. De beleidsregel kan niet betrokken zijn bij de eerder verleende watervergunning want de Dit neemt niet weg dat er geen verplichting is ontstaan om een nieuwe watervergunning aan te vragen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de in de beleidsregel vermelde indicatieve prestatiekenmerken voor BBT/BBT+ niet hetzelfde zijn als de op te nemen grenswaarden in een lozingsvergunning. Daarmee is coördinatie ook niet vereist. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.
11.1.
Omdat de rechtbank gebreken in het bestreden besluit heeft geconstateerd die zij heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, moet het college de door eiseres gemaakte proceskosten aan haar vergoeden. De rechtbank bepaalt deze vergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op€ 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.De uitspraak van 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:555
4.de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 juni 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:4999) en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:6505)