Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
2.
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
1.De procedure
- de brief van 7 februari 2026 van Woonhub met een aanvullende productie 20
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026
- de pleitnota van Woonhub
- de pleitnota van [gedaagden] .
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Wanneer de ingeroepen oudere handelsnaam (in meer of mindere mate) beschrijvend is of onderscheidend vermogen mist, geldt het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of en, zo ja, in hoeverre, bij het relevante publiek (directe of indirecte) verwarring te duchten is, dient het algemene belang betrokken te worden. Dat ziet op het belang dat aanduidingen die beschrijvend zijn voor de aard van een onderneming of van de door haar geleverde waren of diensten, door een ieder vrij moeten kunnen worden gebruikt. Bij die beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de mate van – intrinsiek aan de naam verbonden of door bekendheid bij het publiek verworven – onderscheidend vermogen van de oudere handelsnaam. [1]
Alhoewel voor het aannemen van een Handelsnaamwetinbreuk het gevaar voor verwarring bij het publiek voldoende is, heeft Woonhub diverse gevallen genoemd waarin zich die verwarring ook daadwerkelijk heeft voorgedaan. Zo noemt zij in de aangifte bij de politie het bericht van de voormalig (mede-)eigenaar van Woonhub dat zij begin september 2025 ontving, naar aanleiding van een advertentie van [gedaagden] onder de naam ‘WoonHub.nl’ met de vraag of Woonhub een nieuwe vestiging had in [plaats] .
.
€ 735,00