Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2225

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/662
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 7:2 AwbArt. 6.7 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen compensatie kinderopvangtoeslag; recht op schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen over de hoogte van de compensatie voor kinderopvangtoeslag over de jaren 2006-2009 en 2013-2014. De Dienst Toeslagen had een compensatie van €157.321 toegekend na herbeoordeling. Eiseres vorderde een hogere compensatie en stelde dat haar hoorplicht was geschonden.

De rechtbank oordeelt dat er geen schending van de hoorplicht heeft plaatsgevonden, omdat eiseres ervoor koos haar bezwaren tegen het besluit van 21 december 2023 mee te nemen in de lopende bezwaarprocedure. De late bekendmaking van dat besluit leidt niet tot vernietiging, omdat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad haar zienswijze kenbaar te maken.

De rechtbank wijst het verzoek tot verhoging van de compensatie over 2006 af, omdat de gevorderde schadepost niet onder de limitatief opgenomen schadeposten van de Wet hersteloperatie toeslagen valt en exceptieve toetsing niet mogelijk is. Ook is er geen recht op compensatie over 2014, omdat de verlagingen reguliere wijzigingen betreffen.

Wel kent de rechtbank eiseres een schadevergoeding van €2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure met bijna twee jaar. Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van €467 voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, de compensatie wordt bevestigd en eiseres krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/662

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigden: mr. R.S. Wijling en mr. R.M. Nijk-Siebert),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mr. S. Heersink en mr. M.S. Aziz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de aan eiseres toegekende compensatie die het gevolg is van een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Eiseres wil met deze procedure bereiken dat zij een hogere compensatie krijgt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aan eiseres toegekende totale compensatie van € 157.321 op een juist bedrag is vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Wel heeft eiseres recht op schadevergoeding, omdat de procedure te lang heeft geduurd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen dat heeft.
1.2.
Onder overweging 2. tot en met 2.7. staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 3. tot en met 3.5. Daar gaat de rechtbank in op de vier beroepsgronden die eiseres in deze procedure naar voren brengt. Vanaf overweging 4. tot en met 4.3. staat hoe de rechtbank oordeelt over het verzoek van eiseres om schadevergoeding vanwege de te lange duur van de procedure. In overweging 5. beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding. In overweging 6. staan de beslissingen van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Deze zaak is begonnen met een verzoek van eiseres om haar recht op kinderopvangtoeslag in de jaren 2006 tot en met 2009 en 2013 en 2014 te herbeoordelen.
2.1.
Met twee besluiten van 20 mei 2022 heeft de Dienst Toeslagen het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag in de jaren 2006 tot en met 2009 herbeoordeeld en aan eiseres een compensatie toegekend van € 154.788.
2.2.
Met het besluit van 21 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag in de jaren 2013 en 2014 herbeoordeeld en besloten om aan eiseres geen compensatie toe te kennen.
2.3.
Met het bestreden besluit van 3 februari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 20 mei 2022 gegrond verklaard, die besluiten deels herroepen en een compensatie van € 157.321 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiseres voor het overige ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiseres
.
Had er een (nadere) hoorzitting moeten plaatsvinden?
3.1.
Eiseres vindt allereerst dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord over haar bezwaar tegen het besluit van 21 december 2023. Dat is volgens eiseres in strijd met artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1.1.
De Dienst Toeslagen wijst erop dat in de bezwaarfase op 22 mei 2024 een hoorzitting bij de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) is gehouden. Als eiseres het nodig vond om over het besluit van 21 december 2023 nader te worden gehoord, dan had zij dat zelf moeten aangeven. Dat heeft eiseres niet gedaan. Aangezien de BAC zich voldoende voorgelicht achtte, is terecht zonder nadere hoorzitting op bezwaar beslist.
3.1.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier en de bespreking van deze beroepsgrond op de zitting is duidelijk geworden dat de bezwaarprocedure een ongewoon verloop heeft gehad. Eiseres heeft tijdens de hoorzitting bij de BAC aan de orde gesteld dat er ten onrechte niet was beslist op haar verzoek om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014. De Dienst Toeslagen heeft toen op de hoorzitting gezegd dat dit wel was gebeurd en heeft op dat moment het besluit van 21 december 2023 overgelegd. Het bestaan van dat besluit was bij zowel eiseres als de BAC tot op dat moment niet bekend. Eiseres heeft na de hoorzitting het besluit van 21 december 2023 en de op die zaak betrekking hebbende stukken ontvangen en is in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij tegen dat besluit bezwaar wil maken. De Dienst Toeslagen heeft onbestreden gesteld dat eiseres toen de keuze heeft gekregen tussen het starten van een nieuwe bezwaarprocedure tegen dat besluit of het meenemen van haar bezwaren tegen dat besluit in de al lopende bezwaarprocedure. Kiezen voor een nieuwe (aparte) bezwaarprocedure tegen het besluit van 21 december 2023 zou als (groot) nadeel hebben dat het (zeer) lang zou duren voordat op dat bezwaar kon worden beslist, vanwege de grote achterstanden bij de Dienst Toeslagen. Eiseres heeft er volgens de Dienst Toeslagen voor gekozen om haar bezwaren tegen het besluit van 21 december 2023 mee te nemen in de al lopende bezwaarprocedure.
3.1.3.
De rechtbank is bij deze stand van zaken van oordeel dat eiseres geen wettelijk recht had op een hoorzitting in verband met haar bezwaar tegen het besluit van 21 december 2023. Artikel 7:9 van Pro de Awb verplicht daar niet toe, omdat die bepaling (slechts) ziet op het geval waarin na het horen
aan het bestuursorgaanfeiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Die situatie doet zich hier niet voor. Verder is er geen andere wettelijke bepaling die hiertoe verplicht. Eiseres heeft op de zitting nog gesteld dat haar bezwaar tegen het besluit van 21 december 2023 als een aparte bezwaarprocedure had moeten worden gezien, als gevolg waarvan – zo meent eiseres kennelijk – de Dienst Toeslagen haar (op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb) had moeten horen. De rechtbank gaat daarin niet mee. Eiseres heeft er namelijk in de bezwaarfase voor gekozen om haar bezwaren tegen het besluit van 21 december 2023 mee te nemen in de al lopende bezwaarprocedure tegen de besluiten van 20 mei 2022. De Dienst Toeslagen heeft daarom gelijk als hij zegt dat het op de weg van eiseres had gelegen om te verzoeken om een nadere hoorzitting, omdat er in die lopende bezwaarprocedure al een hoorzitting had plaatsgevonden. Eiseres is ook voldoende gelegenheid geboden om dat kenbaar te maken. In het dossier zit een e-mail van 6 september 2024 van de secretaris van de BAC aan de gemachtigde van eiseres met daarin de vraag hoe hij het verdere verloop van de bezwaarprocedure voor zich ziet. De gemachtigde heeft daar per e-mail van 20 september 2024 op gereageerd door de bezwaargronden tegen het besluit kenbaar te maken. Hij heeft daarbij niet om een nadere hoorzitting verzocht. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Leidt de late verstrekking van het besluit van 21 december 2023 tot vernietiging van het bestreden besluit?
3.2.
Eiseres vindt verder dat de Dienst Toeslagen haar bezwaar tegen het besluit van 21 december 2023 gegrond had moeten verklaren. Zij vindt het in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel dat dit besluit pas tijdens de hoorzitting van 22 mei 2024 bekend is gemaakt, terwijl het al op 21 december 2023 is genomen. Op de zitting heeft eiseres hieraan toegevoegd dat zij voorafgaand aan het nemen van het besluit van 21 december 2023 ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken.
3.2.1.
Volgens de Dienst Toeslagen is geen sprake van een schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel die tot herroeping van het besluit van 21 december 2023 had moeten leiden. Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen erkend dat er geen zienswijzeprocedure heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het nemen van het besluit van 21 december 2023, maar dat was evenmin een reden om dat besluit te herroepen. Eiseres heeft namelijk in bezwaar en ook in beroep voldoende naar voren kunnen brengen waarom zij het met dat besluit niet eens was.
3.2.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier en de bespreking op de zitting is niet duidelijk geworden of het besluit van 21 december 2023 eiseres eerder (per post) heeft bereikt dan op de hoorzitting bij de BAC op 22 mei 2024. Eiseres ontkent dat zij dit besluit eerder heeft ontvangen en de Dienst Toeslagen heeft dat verder niet ter discussie gesteld. Eiseres is vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog haar bezwaren tegen dat besluit naar voren te brengen en daar is door de Dienst Toeslagen (na advisering door de BAC) op beslist. Voor zover er al een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek kleeft aan het besluit van 21 december 2023 vanwege de late bekendmaking, dan is dat op deze manier in de bezwaarfase voldoende hersteld. Er was daarom geen reden om het besluit van 21 december 2023 te herroepen. Die reden is er ook niet doordat eiseres zegt dat zij geen gelegenheid heeft gekregen om haar zienswijze kenbaar te maken tegen het besluit van 21 december 2023. Eiseres heeft gelijk dat zij die gelegenheid had moeten krijgen, want dat is in artikel 6.7, eerste en tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voorgeschreven, maar die gelegenheid lijkt daadwerkelijk te zijn geboden. De rechtbank stelt namelijk vast dat in het dossier een voorgenomen besluit van 22 november 2023 zit waarmee eiseres in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken. Maar zelfs als (ook) dit voornemen eiseres niet heeft bereikt, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan het niet bieden van de gelegenheid om een zienswijze op een voorgenomen besluit kenbaar te maken in de bezwaarfase worden hersteld. [1] De rechtbank vindt dat in dit geval ook daadwerkelijk van dat herstel sprake is, omdat (zoals uit overweging 3.1.3. volgt) eiseres voldoende gelegenheid heeft gekregen om in de bezwaarfase haar standpunt over het besluit van 21 december 2023 kenbaar te maken. De beroepsgrond van eiseres slaagt daarom niet.
Is de compensatie over toeslagjaar 2006 te laag?
3.3.
Eiseres vindt de toegekende compensatie over 2006 onvoldoende. Op de zitting is gebleken waar het eiseres concreet om is te doen. Zij heeft in eerste instantie over 2006 een bedrag van € 19.128 aan kinderopvangtoeslag moeten terugbetalen. Uit het “Overzicht (uit)betalingen en/of verrekeningen Toeslagen” van 21 november 2022 blijkt dat ook door de kinderopvanginstelling een bedrag van € 4.096 zou zijn terugbetaald. Eiseres vindt daarom dat er over 2026 te veel kinderopvangtoeslag is terugbetaald. De aan haar toegekende compensatie van € 19.128 moet daarom worden verhoogd met € 4.096. Eiseres erkent dat deze schadepost niet valt onder de in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht limitatief opgenomen schadeposten, maar dat is volgens haar een misslag van de wetgever. Die heeft volgens eiseres ten onrechte niet een situatie als deze onderkend. Zij verzoekt de rechtbank om via exceptieve toetsing deze schadepost alsnog onder de reikwijdte van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht te brengen.
3.3.1.
De Dienst Toeslagen wijst er allereerst op dat in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht limitatief is opgenomen voor welke posten compensatie kan worden geboden. De post waar eiseres compensatie voor wil, staat daar niet tussen. Het is volgens de Dienst Toeslagen ook een bewuste keuze van de wetgever geweest om niet alle schades die ouders door de toeslagenaffaire hebben geleden onder het bereik van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht te brengen. Als sprake is van een schadepost die daar niet onder valt, kan een verzoek bij de Dienst Toeslagen worden ingediend voor aanvullende compensatie van werkelijke schade (zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht). Inhoudelijk vindt de Dienst Toeslagen dat eiseres al volledig is gecompenseerd door haar over 2006 een compensatie van € 19.128 toe te kennen. Het toekennen van (€ 4.096) meer compensatie zou tot een compensatie van meer dan 100% leiden waar geen grond voor is.
3.3.2.
De rechtbank is het met partijen eens dat de door eiseres verzochte compensatie over 2006 niet onder de reikwijdte van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht valt. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen al om deze reden terecht heeft afgezien van het toekennen van compensatie. Via de door eiseres verzochte exceptieve toetsing kan dat niet anders worden. Door exceptieve toetsing kan de rechter in uitzonderlijke gevallen een bepaald wettelijk voorschrift buiten toepassing laten als dat in strijd is met bijvoorbeeld het evenredigheidsbeginsel. Maar die bevoegdheid gaat niet zo ver dat de rechter daarmee zaken aan de wet kan toevoegen die er niet instaan. Dat gaat de rechtsvormende taak van de rechter (ver) te buiten. Het is enkel aan de wetgever om daartoe over te gaan. En zelfs als het zou kunnen wat eiseres van de rechtbank vraagt, dan had de rechtbank daartoe geen aanleiding gezien. De Dienst Toeslagen wijst er namelijk terecht op dat de wetgever niet heeft beoogd om alle schades voor forfaitaire compensatie in aanmerking te brengen. Verder heeft de Dienst Toeslagen er op de zitting terecht op gewezen dat er ook nog een mogelijkheid is om aanvullende compensatie te verzoeken, ook voor schades die niet (geheel) door de forfaitaire compensatie zijn vergoed. De beroepsgrond slaagt niet.
Moest eiseres compensatie krijgen over toeslagjaar 2014?
3.4.
Tot slot is eiseres het er niet mee eens dat zij over 2014 geen compensatie heeft gekregen. Zij stelt dat ook in dit toeslagjaar sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Eiseres bestrijdt dat zij zelf wijzigingen voor het toeslagjaar 2014 heeft doorgevoerd. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst ze naar de werkinstructie, waaruit volgens haar blijkt dat wijzigingen soms als “zelf doorgevoerd” werden geboekt terwijl dat niet het geval is. Zij vindt dat de Dienst Toeslagen miskent dat het ongevraagd doorvoeren van wijzigingen een indicatie kan zijn van vooringenomenheid of hardheid. Daarnaast zijn ook de omstandigheden dat zij een FSV-registratie had en op de uitsluitlijst was geplaatst indicatief voor vooringenomenheid of hardheid.
3.4.1.
Volgens de Dienst Toeslagen is er in het toeslagjaar 2014 sprake van reguliere wijzigingen. Op 21 mei 2014 en op 21 november 2014 is het recht op kinderopvangtoeslag verlaagd naar € 4.493 en vervolgens naar € 2.986. Die verlaging vond plaats omdat er sprake was van een lager aantal opvanguren en omdat er een melding van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) was ontvangen dat een van de kinderen van eiseres basisonderwijs volgde vanaf 1 september 2014. Op 7 januari 2016 is de kinderopvangtoeslag vervolgens verder verlaagd naar € 2.397. Dit was het gevolg van een wijziging in het aantal opvanguren die de kinderopvanginstelling had doorgegeven. De Dienst Toeslagen wijst erop dat het verwerken van reguliere wijzigingen niet valt onder het begrip vooringenomenheid of hardheid en dat eiseres daarom geen recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2014.
3.4.2.
De rechtbank vindt dat de Dienst Toeslagen voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat in 2014 geen sprake was van vooringenomenheid of hardheid ten opzichte van eiseres. In 2014 zijn namelijk alleen reguliere wijzigingen doorgevoerd, dat wil zeggen wijzigingen die het gevolg zijn van een gebeurtenis die volgens de wet leidt tot een (in dit geval) lagere kinderopvangtoeslag. Uit de zaakstukken die op de zitting zijn besproken, is verder voldoende gebleken dat de wijzigingen die hebben geleid tot de verlaging van 21 mei 2014 zijn doorgevoerd door of namens eiseres. Beide wijzigingen zijn namelijk gecodeerd als “07 - Namens burger”. Eiseres zegt dat zij die wijzigingen niet heeft doorgevoerd en heeft erop gewezen dat het in andere zaken is voorgekomen dat een dergelijke codering werd opgevoerd, maar dat dan toch bleek dat de wijziging door een medewerker van de Dienst Toeslagen was doorgevoerd. De Dienst Toeslagen heeft daar tegenover gesteld dat in zulke gevallen het systeem in het veld “betreft melding ID” de accountnaam van de betreffende medewerker van de Dienst Toeslagen registreert. Die velden zijn in de bovengenoemde gevallen leeg. Eiseres heeft dat verder niet weersproken. De verlaging van 21 november 2014 is wel als gevolg van een mutatie door de Dienst Toeslagen doorgevoerd. Die wijziging is namelijk gecodeerd als “06 - ambtshalve” en is gebaseerd op informatie van DUO dat een van de kinderen van eiseres onderwijs is gaan volgen. Daarmee is voor de rechtbank voldoende duidelijk dat sprake is van een reguliere wijziging. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
3.5.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit niet slaagt. De rechtbank zal dat beroep daarom ongegrond verklaren.
Heeft eiseres recht op schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn?
4. Eiseres heeft op de zitting verzocht om schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn (zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden). De Dienst Toeslagen heeft daarover gezegd dat het oordeel daarover aan de rechtbank is
.
4.1.
De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze, die uit een bezwaarprocedure en een rechterlijke instantie bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar door de Dienst Toeslagen en anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep door de rechtbank. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen. [2]
4.2.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 17 juni 2022, bij de ontvangst door de Dienst Toeslagen van het bezwaarschrift, en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn is in deze procedure dus met een jaar en tien maanden overschreden. Deze overschrijding wordt aan de Dienst Toeslagen toegerekend, omdat het beroepschrift op 14 maart 2025 door de rechtbank is ontvangen en zij dus binnen de voor de beroepsfase geldende termijn van 18 maanden uitspraak heeft gedaan.
4.3.
Er geldt een forfaitaire vergoeding van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. [3] Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000.
Heeft eiseres recht op vergoeding van haar proceskosten?
5. Eiseres heeft geen recht op vergoeding van haar proceskosten voor de behandeling van het beroep, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard. Wel moet de Dienst Toeslagen de proceskosten vergoeden die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en bestaan uit het indienen van het verzoek met de wegingsfactor 0,5 (licht). [4] Dit leidt tot een bedrag van € 467.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Wel heeft eiseres recht op de door haar verzochte schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. Zij krijgt een vergoeding van haar proceskosten voor het behandelen van dat verzoek.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen tot een betaling van € 2.000 aan schadevergoeding aan eiseres;
  • veroordeelt de Dienst Toeslagen tot een betaling van € 467 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, voorzitter, en mr. J. Lie en mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Afdeling 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3806, overweging 14.1.
4.Afdeling 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2047, overweging 12.