ECLI:NL:RVS:2018:3806
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke handhaving en invordering dwangsommen wegens illegale bouwwerken en gebruik perceel in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Woerden legde aan appellant een last onder dwangsom op wegens vier overtredingen op zijn perceel: een erfafscheiding deels op gemeentegrond, een zeecontainer, de bouw van een bassin en het gebruik van het perceel als tuin voor een koikarperkwekerij. Deze bouwwerken en het gebruik waren zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan "Harmelerwaard". De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het dwangsombesluit ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de bouwwerken onder overgangsrecht vielen, dat legalisering mogelijk was en dat het dwangsombesluit onredelijk hoog was. De Raad van State oordeelde dat deze gronden reeds door de rechtbank waren behandeld en dat het dwangsombesluit rechtmatig was. De hoogte van de dwangsommen was passend gelet op de zwaarte van de overtredingen en het financiële voordeel voor appellant.
Tegen het invorderingsbesluit van de dwangsommen voerde appellant aan dat het besluit prematuur was en dat bijzondere omstandigheden, zoals overmacht bij het verplaatsen van de zeecontainer, niet waren meegewogen. De Raad van State stelde vast dat het college bevoegd was tot invordering ook zonder onherroepelijkheid van het dwangsombesluit en dat appellant voorafgaand aan de invordering onvoldoende is gehoord, maar dat dit verzuim in bezwaar was hersteld. De bijzondere omstandigheden waren onvoldoende onderbouwd om invordering te matigen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep en het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het invorderingsbesluit worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.